Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Wie onderzoek doet naar ziekte en literatuur komt geheid twee canonieke teksten tegen: Illness as Metaphor van Susan Sontag (1978) en On Being Ill van Virginia Woolf (1926). Deze laatste tekst viert dit jaar zijn honderdjarig jubileum: een mooie gelegenheid om dit kleine meesterwerk nog eens onder de loep te nemen. Toen ik Woolfs essay voor het eerst las, was ik verbaasd door de geringe omvang van het werk. In slechts 13 pagina’s neemt Woolf de lezer mee in haar wereld van ziekte, in de bloemrijke literaire stijl die we van haar gewend zijn. Toen de COVID19-pandemie in 2020 losbarstte, besloot uitgeverij Hetmoet het werk te vertalen en aan te vullen met andere essays – 13 pagina’s zijn immers niet genoeg om een boek van te maken. Deze editie is echter niet de versie die ik hier bekijk. Vier jaar later, toen de pandemie voor de meeste mensen was vervlogen tot een koortsdroom, gaf de uitgeverij het werk opnieuw uit. Dezelfde vertaling, maar aangevuld met nog meer gedichten en essays. De redenering van Hetmoet? De aandacht voor ziekte was samen met de pandemie weggeëbd, terwijl er nog steeds vele duizenden mensen worstelen met, onder andere, chronische gevolgen van COVID19. In de twaalf toegevoegde teksten komen schrijvers als Lieke Marsman, Babs Gons, Jameisha Prescod en Alexandra Philippa aan het woord. In de essays, verhalen en gedichten komt de aanleiding van de bundel, COVID19, echter nauwelijks aan bod. De teksten gaan in bredere zin over ziek zijn, waarbij de schrijvers als ervaringsdeskundigen naar voren treden om de lezer mee te nemen in hun beleving van ziekte.
Woolf schreef On Being Ill in 1926 voor T.S. Eliots tijdschrift The New Criterion. De tekst werd daarna nog verscheidene keren zelfstandig uitgegeven en soms – zoals in deze editie – vergezeld van andere teksten. Na verschijning raakte het werk in vergetelheid, maar het is sinds het begin van deze eeuw enorm populair, zeker vanwege de groeiende populariteit van autopathografieën (autobiografieën over belevingen van ziekte) en het onderzoek hiernaar. Woolf schreef haar essay nadat ze zelf maandenlang geteisterd werd door ziekten. Ze had last van depressies, slapeloosheid en verschillende lichamelijke klachten. Woolf deed wat ze vaker deed in tijden van depressies of ziekte: ze stortte zich op het schrijven. Zo ontstond On Being Ill. Het essay opent met Woolfs verbazing over het gebrek aan literatuur over ziekte: ‘Je zou verwachten dat er romans aan de griep waren gewijd; heldendichten aan tyfus (…). Maar nee (…)’. Ze beschrijft hoe er boeken vol geschreven werden over jaloezie, liefde en strijd, maar er bitter weinig literatuur te vinden was over ziekte. De Engelse taal, zo schrijft ze, had niet de mogelijkheden de ervaring van ziekte te vatten. Volgens Alexandra Philippa kampt de Nederlandse taal met vergelijkbare gebreken. In haar bijdrage aan deze bundel, het essay ‘Over ziekte en wachten’, schrijft ze dat onze taal nog niet veel verder is gekomen dan ‘ik voel me niet zo lekker’.
Een politiek van rust
Susan Sontag schreef in haar essay Illness as Metaphor over twee rijken: het rijk der zieken en het rijk der gezonden. Op momenten van ziekte krijg je je ‘paspoort’ voor dit eerste rijk. Woolf heeft het over een andere dichotomie: de staanders tegenover de liggers. Zo schrijft ze:
Als we ziek zijn houdt [het] toneelspel op. Zodra we een bed nodig hebben of diep wegzinken in de kussens van een stoel – we tillen onze voeten zelfs een stukje omhoog om ze op een andere stoel te leggen – houden we op soldaten in het leger van de staanders te zijn; we worden deserteurs.
Hierin schemert een politieke daad van rust nemen door. Door te liggen en te staren merk je, zo schrijft Woolf, opeens op hoe de lucht door de wind dramatisch kan veranderen. Je ziet, met andere woorden, andere dingen en wellicht wel veel meer dan voorheen, alleen maar door te gaan liggen. Jameisha Prescod beaamt dit in de bundel in hun essay ‘Rust in vrede’ – vertaald door Fannah Palmer. Prescod bemerkt enige ironie in het gezegde ‘rust in vrede’. Waarom mogen we pas in vrede rusten als we dood zijn? Het is met dat inzicht dat Prescod opmerkt dat rust nemen een politieke daad van verzet is. Ook op andere punten in de editie wordt er gereflecteerd op de politieke connectie met ziek zijn. Lieke Marsman beschrijft zo’n ervaring in haar essay ‘Hoe gaat het nu met je?’, waarin ze het lange wachten en thuis zitten tijdens haar ziekte verbindt aan de politieke situatie in het land. Zo schrijft ze dat ze nooit het volledige dividendbelasting-debat had kunnen bekijken als ze niet thuis op de bank had gelegen.
De editie eindigt met een gedicht van toenmalig Dichter der Nederlanden Babs Gons. Volledig in lijn met Woolf (‘Als we ziek zijn hebben we geen zin in de lange veldtocht die proza vergt’) schrijft Gons: ‘Hoe dichter bij de buik van het ziekenhuis / hoe meer de stemmen verstommen / de taal wordt spaarzamer / plechtiger / gelegenheidstaal / biopt, echo, punctie’.
Opnieuw zien we hier een reflectie op taal, dit keer in het ziekenhuis zelf: hoe dieper in het ziekenhuis en hoe serieuzer de aandoening, hoe stiller het wordt. De taal hapert. Desondanks krijgt de lezer van deze bundel genoeg woorden aangereikt. Door de vele interteksten, verwijzingen en een uitgebreide bibliografie hoef je je zelfs na het uitlezen van dit boek niet te vervelen. Zoals Woolf in de eerste regel van haar essay opmerkte: ziek zijn is niets bijzonders. Genoeg leesmateriaal over ziekte zou dan ook niets bijzonders moeten zijn.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.