Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Juan Rulfo (1917-1986) is een schrijver ‘die je veel leest, maar over wie je weinig praat’, stelde zijn grote bewonderaar Gabriel García Márquez vast. De schrijver van Honderd jaar eenzaamheid kon toen nog niet vermoeden dat wanneer men de naam van de Mexicaan dan toch in de mond nam, dat bijna uitsluitend gebeurde om de grootste inspiratiebron voor zijn eigen werk te benoemen. Wie het bekend in de oren klinkt, kent Pedro Páramo (1955) vaak als het boek dat de veel bekendere Colombiaan en Nobelprijswinnaar tientallen keren gelezen heeft en volledig kon opzeggen. In zijn ‘korte nostalgische terugblik op Juan Rulfo’, dat als voorwoord voor de nieuwe vertaling van Jos den Bekker dient, vertelt hij hoe het werk van zijn collega hem door een schrijverscrisis hielp. Na een recente Engelse vertaling (2023) en Netflix-verfilming (2024) is de tijd aangebroken Pedro Páramo voor eens en voor altijd los van zijn navolgers te lezen en het compacte meesterwerk zijn geëigende plaats aan de top van de wereldliteratuur toe te kennen. En het, zoals ‘Gabo’, te herlezen, tientallen keren, een heel leven lang.
Op vraag van zijn overleden moeder trekt Juan Preciado naar Comala om van zijn vader Pedro Páramo te eisen wat die hem verschuldigd is. Hij komt terecht in een streek waar leven en dood relatieve categorieën zijn. Via ontmoetingen met de dove Abundio Martínez, herbergierster Eduviges Dyada en een incestueus paar leren we waarom zijn vader de ‘wandelende wraakzucht’ was, hij die soeverein over wet en bestaansrecht besliste. Alleen zou Pedro Páramo door zijn liefde voor de labiele Susana San Juan week geworden zijn. Na de dood van deze ‘arme zottin die bang [was] voor het donker’ liet de grootgrondbezitter zijn landgoed verkommeren en zat hij vaak urenlang op een stoel voor zich uit te staren. Het bedekte liefdesverhaal vindt plaats in een universum vergeven van zonde (met geen geringe bijdrage van Pedro’s enige door hem erkende zoon, Miguel Páramo), waar nooit genoeg gebeden kan worden en de lokale geestelijke een geloofscrisis doormaakt. Iedereen leeft er in afwachting van het hiernamaals en gericht op de hemel, tot in het absurde: maandstonden worden ‘maanstonde’, waarop het antwoord komt dat een huwelijksnacht met de stand van de maan niets te maken heeft.
Niemand heeft zulke ‘eindeloze, uitputtende dromen’ als Susana, maar haar lichaam is niet het enige dat kronkelt. Hier vinden zielsverhuizingen plaats, doodsstrijden en dwaaltochten, maar ook serene uittredingen, zoals die van Dorotea’s ziel:
Toen ik ging zitten om te sterven smeekte ze me op te staan en mijn leven voort te slepen, alsof ze nog een of ander wonder verwachtte dat me van zonden zou zuiveren. Ik probeerde het geeneens. “Hier houdt het op,” zei ik tegen haar. “Ik heb de kracht niet meer om verder te gaan.” En ik opende mijn mond om haar weg te laten vliegen. En ze ging. Ik voelde in mijn handen het dunne sliertje bloed waarmee ze aan mijn hart had vastgezeten.
Schimmen, schaduwen, echo’s, ‘onbestemde geruchten’ – alles sleept zich voort in een richtingloos Nachleben. Wie gelach hoort, hoort ‘[g]elach dat al heel oud is, alsof het het lachen moe is’. In het voorwoord van García Márquez lezen we dat Rulfo de namen van zijn personages op grafzerken gevonden zou hebben, en niets is zo logisch, want het spookt in Pedro Páramo. Zoals op een kerkhof heeft de stilte in Comala een gewicht; ze is de stilte die onder karren ‘vermaald’ wordt, als het gruis na een splijtend geluid – de stilte van de verstikking, ‘[a]lsof de aarde geen lucht meer had’. Het (na)bestaan is er afhankelijk van een variabele hoeveelheid lucht: winden zijn wel eens overdadig in het aanvoeren van zuurstof, maar er komt ook een moment dat het op is.
‘Ik had het idee dat ik alles hier via mijn moeders herinneringen zag’, denkt Juan. Het is mogelijk dat hij zich alles inbeeldt. Zijn blik is wazig, niets is wat het lijkt. Rook, damp en regen vertroebelen het zicht voor iedereen; ze kijken ‘als door beslagen glas’. De woorden van Juans gesprekspartners ‘klonken niet, je voelde ze, zonder dat ze geluid maakten, net als de woorden die je hoort in dromen’. Een vage, abstracte, maar wel uiterst zintuiglijke droomwereld: men ruikt de dood, proeft de zonde, hoort de aarde kraken. Juan lijkt een koortsdroom te beleven, waar de zintuigen volop meedromen en bij het ontwaken een vreselijk concrete afdruk achterlaten.
Wie beter dan Freud om Juans droom te duiden? Volgens de auteur van Die Traumdeutung treden tegengestelden in dromen geregeld samen op, als een eenheid die normaliter een contradictie zou heten. Ook in Pedro Páramo gaan ze geruisloos in elkaar over: plots en geleidelijk, vergankelijk en permanent, warm en koud, licht en zwaar, zintuiglijk en vergeestelijkt, slaap en slapeloosheid, zwoele droogte en koude stortbuien, … ‘Laat me je troosten met mijn ontroostbaarheid’, zegt Susana tegen pater Rentería. Het zou het motto van de hele roman kunnen zijn: tegengestelden die elkaar ontmoeten in het vagevuur, waar hoop met wanhoop wordt betaald. Comala is een tussenzone, volgens de regels van het alfabet neergezet tussen de naburige plaatsen Colima en Contla.
Schimmen weten niet waar ze heen gaan en geluiden niet waar ze vandaan komen; grijpende handen hebben geen eigenaar en er vliegen bladeren rond terwijl er nergens bomen zijn. Wanneer op het einde, zoals in Satanstango van László Krasznahorkai (dat qua sfeer sterk aan Pedro Páramo doet denken), de kerkklokken niet ophouden met luiden, klinkt dat meer als het galmen van de kosmos dan het effect van een aanwijsbaar object. De banden tussen oorzaken en hun gevolgen zijn zozeer verbroken dat alles op zichzelf lijkt te staan. De baan tussen Comala en Contla verschijnt als twee aparte wegen, tegen de wetten van de logica in: ‘Er is er een naar Contla en een andere die daar vandaan komt.’ Landschapsbeschrijvingen lezen als een inventaris van nevengeschikte natuurelementen zonder relatie met elkaar; het weer is, als in een kubistisch schilderij, in compartimenten verdeeld.
Er is ook iets vreemds aan de hand met de tijd. García Márquez had al opgemerkt dat in Pedro Páramo niets zo bedrieglijk is als de duur van de gebeurtenissen en de tijd die ertussen zit. Data vermeldt Rulfo niet en leeftijden slechts af en toe. Gezien alles zich in de herinnering afspeelt, is er van chronologie geen sprake. En al zijn er enkele verwijzingen naar sleutelmomenten uit de Mexicaanse geschiedenis, zoals de Revolutie van 1910 en de Cristero-oorlog van 1926 tot 1929, kunnen die de indruk niet wegnemen dat deze vertelling buiten de geschiedenis staat. Het is eerder het weer dat de tijd aangeeft. Om een scène toch enigszins te verankeren, begint een hoofdstuk vaak met een beknopte weersbeschrijving, in de trant van: ‘Het was de tijd van de hondsdagen, wanneer er een warme augustuswind waait, vergiftigd door de rotte geur van zeepkruid.’ Hij is er een meester in:
In februari daalde de wind ’s morgens af uit de bergen. En de wolken bleven daarboven wachten tot het goede weer ze naar het dal voerde, zodat de blauwe hemel leeg achterbleef en het licht kon deelnemen aan het spel van de wind, die rondjes draaide over de aarde, stof opwierp en de takken van de sinaasappels ranselde.
De omgeving, als ontvanger van zon en wind en regen, is één grote chronometer, waar de tijd op de muren wordt afgelezen. Al ligt Comala er niet passief bij. Het is geen inerte, dorre vlakte, maar een krakend, rottend, dampend, kokend, borrelend, schuimend, bellen blazend landschap, met scheuren en kieren waardoor echo’s ontsnappen en helledampen opstijgen, zoals Pedro Páramo er ook een is, het wonderlijke boek waarin dit alles beschreven staat.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.