Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
‘Ik moet de doode sporen volgen. / Hiëroglieven van leven. / Liefdefossielen, die zijn gebleven, / waar een zondvloed haar heeft verzwolgen.’ Zo luidt de eerste strofe van Gerrit Achterbergs gedicht ‘Memphis’ uit 1941, die de filosoof en schrijver Gerard Visser citeert in zijn dagboek Bewonen wat je overkomt (2025). Die keuze is treffend. De regels zijn een poëtische samenballing van het boek, dat bestaat uit fragmenten die hij schreef tussen 1979 en 1987. Deze jaren worden gekenmerkt door twee levensbepalende ontwikkelingen: die van filosoof die zich een weg baant binnen het Nederlands academisch landschap en die van vader die samen met zijn vrouw zorg draagt voor een gehandicapt kind.
Visser werkt in die tijd aan een proefschrift over Nietzsche en Heidegger, die hij in 1989 zou publiceren bij de Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN). Hij geeft steeds meer lezingen en colleges en groeit in zijn rol als docent. Zijn vrouw Riet bevalt in dezelfde periode van hun eerste kind Noortje. Fragment na fragment groeit het besef dat zij zich niet ontwikkelt als de meeste baby’s. Haar spieren werken niet mee; lopen en zelfstandig rechtop zitten lukken niet. Er volgt een zoektocht naar de oorsprong en een behandeling ter genezing en/of verlichting. De resultaten hiervan zijn wisselend; de voor- of achteruitgang van Noortje is niet makkelijk te verbinden aan de aanwending van één bepaalde therapie of aanpak.
Visser schrijft beeldend en invoelend hoe zijn dochter leeft met en soms strijdt tegen haar beperking. Hij neemt de lezer mee in de zoektocht van de dokters naar een diagnose, die ze soms stellig en voorbarig verkondigen, en beschrijft hun soms lompe doktersmanieren. Pas véél later, in 2011, wordt Noortje gediagnosticeerd met een zeldzame stofwisselingsziekte. Het is niet verbazingwekkend dat Visser en zijn vrouw in de tussentijd hun heil zoeken bij alternatieve geneeswijzen. Hier zitten ook verschillende kwakzalvers tussen, zo geeft hij toe in zijn nawoord, maar Noortje moet geholpen worden. Als lezer begrijp je ze.
Deze ontwikkelingen worden anekdotisch verteld. Week na week wordt aan de hand van gesprekken, ontmoetingen en observaties beschreven hoe het staat met Vissers proefschrift, hoe het gaat met Noortje. Daardoorheen breekt soms de zoektocht zoals Achterberg die beschrijft, naar openingen in het dagelijks leven, naar een beleving van de wereld die zich niet richt op concrete (zorg)handelingen, academische commissies en ander klein maar toch belangrijk grut. Dit heen-en-weer is wat Bewonen wat je overkomt typeert en smaak geeft: de beweging tussen het prozaïsche en de huis-tuin-en-keuken-ervaringen aan de ene kant en de openbaring, het poëtische en de aandacht voor verruiming aan de andere kant.
Vissers aandacht voor deze ‘openingen’ hangt samen met zijn filosofische werk. In Vissers lezing keert Nietzsches sloophamer zich tegen elke filosofie als rationeel verheven burcht met de vraag: waarom bouwde deze filosoof deze bunker? Welke drift, wrok of vervorming lag hieraan ten grondslag? Nietzsche uit wantrouwen tegenover eenieder die een fundament van het denken poneert en ontmaskert dit als domineerdrang.
Op een minder agressieve en spottende manier zaagt Heidegger aan dezelfde poten. Zoals Visser het beschrijft: ‘Het denken van Nietzsche voltooit de metafysica, volgens Heidegger, en baant de weg voor iets nieuws.’ Kort door de bocht: weg met de systeembouwers, weg met de filosoof als ingenieur en weg met hen die emotie, intuïtie en het lichaam proberen te vangen in starre bewoordingen en ze daarmee doodslaan.
Zelf ben ik een zolderkamerlezer van Nietzsche en alhoewel ik Heidegger blijf tegenkomen in mijn literaire besprekingen blijf ik een zekere huivering voelen tegenover zijn corpus. Visser neemt deze drempel weg. Hij vertaalt hun invloed naar het alledaagse denken, dat daardoor tegelijkertijd naar een hoger niveau wordt getild. Zij bepalen mede waar zijn aandacht naar uitgaat en hoe zijn schrijfstijl zich ontwikkelt. In hun spoor wordt denken bij Visser een voorlopigheid, iets dat niet mag verstarren, maar zich moet aanpassen aan een constant verschuivende constellatie waar het rationele, schrijvende zelf onderdeel van is. Dat schrijvende ik wordt beïnvloed door het lichaam, het onderbewuste, de zintuigen en de buitenwereld.
Het gaat om denken dat in dienst staat van een samenspel en niet als primus inter pares de rest dicteert. In Bewonen wat je overkomt komen enkele manieren voor om dit soort denken in de praktijk te brengen: aandacht voor gedichten en aforismen, aandacht voor de wereld als zintuiglijke ervaring en aandacht voor lichamelijk denken.
Vissers interesse in poëzie hangt samen met de filosofische traditie waarin hij werkt. Een gedicht is vaak een verrassende constellatie van beelden, die niet logisch samenhangen maar als geheel wel als waar aandoet. De betekenis van een gedicht arriveert plots, net als een inzicht. Soms brengt de poëzie het inzicht teweeg en val je als lezer even samen met de tekst. Het lezen ervan voelt dan als een sleepnet, dat uit de diepte van je bewustzijn in een ruk een verzameling herinneringen, half doordachte overwegingen, verlangens, dromen en intuïties naar het oppervlak trekt. En soms is het specifieke inzicht niet eens het belangrijkst, maar het besef dat je hier ontvankelijk voor bent. Een herinnering dat het eigen leven niet betekenisloos absurd is of puur rationeel overwogen dient te worden, maar een samenspel is tussen omgeving, taal, bewustzijn en het lot, de genade.
Een dergelijke oefening in ontvankelijkheid keert zich tegen een wereld ‘dichtgebouwd met jong hout en nieuwe leuzen’, opnieuw uit ‘Memphis’ (Achterberg blijft hem inspireren, naast onder anderen Martinus Nijhoff en Chr. J. Van Geel). Dat verzet is ook een reactie op te makkelijke oplossingen: de wens is om verder te gaan dan simpele politieke slogans of laf zelfhulpjargon. Zo blijven onze gedachten stromen en sprankelen.
Het aforisme is korter en prozaïscher dan een gedicht, maar heeft een vergelijkbaar, opschuddend effect. Aforismen bestaan vaak uit generaliserende statements met veel bravoure gevat, die door hun spitsvondigheid bij de lezer een aha-moment oproepen: ja, zo zit het! Dat ze uiteindelijk, als je er langer over nadenkt, voor heel wat mitsen en maren vatbaar zijn, maakt ze niet minder effectief in het tijdelijk toespitsen van de gedachten naar één punt. Zo schrijft Visser: ‘Als het al wachten is op een nieuwe wereld, zal dat een wereld moeten zijn waarin we kunnen wachten.’ Hij werkt hiermee in de traditie van Rochefoucauld, Lichtenberg en Nietzsche zelf. Weer gaat het om begrijpen als een ervaring, aan tijd en plaats gebonden.
Niet al Vissers aforismen zijn per se stellingnames. Soms zijn ze zoekender, maar altijd reiken ze naar de hogere, abstractere denktranten:
De cyclische tijd van de mythische wereld maakte plaats voor de opgaande lijn van de geschiedenis. Wist de technologie nu op haar beurt de geschiedenis uit? Om ons op te sluiten in een heden dat van geen herkomst meer wil weten?
Dit zou waar kunnen zijn, het zet ons aan het denken, maar als uitspraak vervliegt het ook; het wordt niet bestendigd in een groot theoretisch kader.
Hoor ik mijzelf eigenlijk ooit praten? Dat begint Visser zich af te vragen als hij steeds vaker voor een groep zijn verhaal vertelt. Hij verdenkt zichzelf van een ‘onthecht spreken’, van een stem die alleen bezig is met het uitstorten van de woorden, met kale betekenisoverdracht. Máár, en dit besef is onderdeel van een bredere oefening in lichamelijk denken, spreken is ook je stem laten horen, die op een bepaalde manier klinkt, waar je kleur en nadruk in de woorden mee kan leggen, waardoorheen je soms ook meer onthult dan gepland. Zenuwen, verwarring en irritatie kunnen doorklinken in de trilling van een klank of in gehakkel.
Visser verlangt naar het verbreden van zijn ‘toetsingsruimte’, zoals hij het noemt. Hij wil woorden spiegelen aan zijn gedachten en breder laten resoneren, hij wil aandacht hebben voor hoe de taal door zijn lichaam beweegt, welke overwegingen eraan ten grondslag liggen en hoe ze in de ruimte hangen tussen de toehoorders. Hij vat deze ervaring samen in een van zijn aforismen: ‘Ik ken de leegte van het witte papier, maar niet de akoestiek van het lichaam.’
Dit lichamelijk denken is het sprekendste voorbeeld van Vissers opvatting van filosofie als oefening, als een denken en doen dat door de tijd heen in de praktijk moet worden gebracht en eraan moet worden getoetst, waardoor het zelf ook verandert. Het leven van dag tot dag, van ontbijt naar arbeid en ’s avonds pannen wassen, duurt lang en is soms slopend. Hoe blijf je dan oefenen te midden van de alledaagse handelingen? Hoe zorg je ervoor niet mechanisch, wrokkig of hopeloos te worden? Hoe behoud je een ontvankelijkheid? Misschien nog wel het belangrijkst: hoe kan lichamelijk denken hem helpen om voor Noortje te zorgen?
De literaire dagboekoefeningen vormen een belangrijk deel van Vissers antwoord op deze vragen. Al denkende en schrijvende probeert hij de alledaagse sores open te breken en ruimte te maken voor verwondering, voor gedachten die plots opbloeien. Dit staat in contrast met denken te weten hoe het zit, met verantwoordelijkheden die soms knellen. De verwondering staat ook in contrast met Noortje die huilt en huilt en huilt, en in contrast met een woede die wil verwoesten.
Hij heeft echter een diep besef, onder andere gevoed door de liefde en verantwoordelijkheid die hij voelt tegenover Riet en Noortje, dat hij niet kan blijven hangen in de starheid van hopeloosheid, cynisme en benauwing. Hij schrijft om zijn eigen gemoed los te weken. Dat betekent, op een katholieke manier samengevat (Visser groeide op in de nadagen van het Rijke Roomse Leven en overwoog het priesterschap): het verlangen naar een genadevol moment, een openbaring. En dan niet in de zin van één hysterisch-profetisch ogenblik dat alles verandert. Eerder een subtiele verschuiving van het licht, die op die manier wel de blik op het geheel optilt. Dat geeft weer even moed.
Dat zijn dagboeken bij uitgeverij Van Oorschot zijn verschenen, verbaast me niet. Alhoewel de Privé-domein-serie van De Arbeiderspers de kenmerkendste verzameling egodocumenten in het Nederlands taalgebied is, geeft Van Oorschot een grote verscheidenheid aan autobiografisch werk uit. Hieronder vallen onder andere de dagboeken van Voskuil, de fax-verzamelingen van Nicolien Mizee aan haar ‘allesverpletterende’ Ger Beukenkamp, en de parkeerwachterperikelen van Detlev van Heest.
Net als Vissers Bewonen wat je overkomt is de inhoud van veel van deze boeken jaren geleden geschreven en initieel niet per se voor publicatie bedoeld. De teksten zijn later zo geredigeerd dat ze ook voor niet-gespecialiseerde lezers interessant worden. Alhoewel de stijl en de kijk op de wereld sterk van elkaar verschillen, hebben deze auteurs gemeen dat ze schrijven als dagelijkse activiteit zichtbaar maken; schrijven als een oefening om het eigen leven te overdenken en het open te breken. Een traditie om in ere te houden.
Het dagboek van Visser eindigt in 1989, rond de tijd dat het gezin naar een aangepaste woning in Katwijk is verhuisd, zes minuten lopen van de duinen. De zeewind blaast lucht in Vissers proza. Ze hebben inmiddels een tweede kind gekregen: Giel, een jongen. Het is een passend moment om Bewonen wat je overkomt te eindigen.
Aan het einde van het boek is er niet per se iets opgelost en een diagnose voor Noortje laat nog lang op zich wachten. Visser staat bovendien zelf aan de vooravond van een crisis, zoals hij in zijn nawoord beschrijft. Zijn momenten van afwezigheid, die hij ook al in enkele dagboekfragmenten beschrijft, ontwikkelen zich tot zware epileptische absences.
De definitie van een oefening is dat je er nooit klaar mee bent; je kan er beter in worden, maar als je stopt is er een risico dat je het verleert. Soms is het vermoeiend dat je je er telkens weer toe moet zetten, soms is het bevrijdend dat je weet dat je je er altijd weer toe zou kunnen zetten. En Visser heeft flink geoefend. Uit zijn schrijven straalt veerkracht en kundig afgewogen, intelligente gevoeligheid. Het dagboek eindigt, het leven gaat door.
Een recensie door Willem Pije van Bewonen wat je overkomt door Gerard Visser.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.