Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Rick Honings vertelt in de epiloog van zijn recente Beets-biografie dat hij, terwijl hij ‘ermee bezig was, soms het gevoel kreeg dat Beets ervan uitging dat iemand een keer een boek als dit zou schrijven’. Het betekent niet zozeer, al was dat zeker ook zo, dat hij zich belangrijk en belangwekkend genoeg voelde voor een vuistdikke biografie, maar vooral dat hij zo’n onderneming bijna doelbewust mogelijk maakte door levenslang zowat alle denkbare personalia te bewaren en te klasseren; ze vormen nu, samen met latere aanvullingen, de omvangrijke Beetscollectie van de Universiteit Leiden. De biograaf kreeg het dus makkelijk! Hij kon verder ook zijn voordeel doen met allerlei correspondenties: veel negentiende-eeuwers namen graag de tijd voor lange brieven en bewaarden ze zorgvuldig. Beets publiceerde op de koop toe tientallen dichtbundels; ze klinken voor ons dikwijls als rijmelarij, maar echoën wel veel persoonlijke en familiale emoties. Hij publiceerde ook tientallen preken, waarmee we dus precies weten wat dominee Beets aan zijn gemeentes in Heemstede en later in Utrecht vertelde.
Alles samen een bijzonder uitgebreid archief, dat, zoals Rick Honings in dezelfde paragraaf stelt, een ‘unieke inkijk’ biedt op het concrete detail van een negentiende-eeuwse levensweg. Die kunnen we in God, Gezin en Vaderland. De Eeuw van Nicolaas Beets. 1814-1903 dus uitvoerig meemaken.
Vlak bij de bronnen
Rick Honings kiest voor een uitgesproken zakelijke insteek. Heel veel zinnen en zowat alle paragrafen eindigen op een voetnoot met een bronverwijzing; de biograaf beperkt zich zoveel mogelijk tot gedocumenteerde feiten. Waar die noten en dus formeel archief ontbreken, staan er doorgaans voorzichtige bijwoorden: ‘waarschijnlijk’, ‘misschien’ of een zeldzame keer ‘ongetwijfeld’ als een vermoeden zich opdringt. Rick Honings houdt duidelijk ook van de voltooid toekomende tijd (‘Beets zal toen gedacht hebben’); die verwijst dan evengoed naar een reactie die zonder meer voor de hand lag, maar waarvoor hij kennelijk geen hard bewijs kon aangeven.
De toonzetting blijft daarbij gewild prozaïsch. Behalve in de eerste paragraaf van zijn inleiding, waar hij zijn lezer moet ‘meekrijgen’, doet Rick Honings niet aan sfeerschepperij en hij voelt zich evenmin geneigd zijn concrete realia los te laten om globale interpretaties weg te geven. Hij blijft duidelijk liever vlak bij zijn bronnen, die hem, omdat ze zo overvloedig zijn, toelaten Beets bijna maand na maand te volgen.
Dat lukt uiteraard nog iets minder voor zijn Haarlemse kinderjaren, waar Rick Honings onvermijdelijk over weinig directe bronnen beschikt en zich moet behelpen met algemene gegevens over negentiende-eeuws Haarlem en over de diverse schooltjes die de kleine Nicolaas bezocht. Hij doet dat bijzonder vakkundig, maar lijkt soms wel iets te geneigd zijn zeldzame rechtstreekse bronnen letterlijk te geloven. Het opstel ‘Kinderrampen’ in de Camera baseert zich ongetwijfeld op jeugdherinneringen, maar dat betekent nog niet dat Beets het in zijn schoonschriftoefeningen specifiek moeilijk had met de twee w’s van ‘wederwaardigheid’ of dat hij, als hij vijftien keer ‘Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid’ moest schrijven, ooit overhaast ‘voorwijsheid’ schreef. Ik heb ook mijn twijfels bij het verhaal van de ‘medeleerling’ die zich ‘meer dan tachtig jaar later’ nog zou herinnerd hebben dat de vijfjarige Beets zich op hun eerste schooldag aan hem voorstelde als ‘Klaas Beest’. Het is maar de vraag of dat echt de eerste dag gebeurde en zelfs of Beets die (bij)naam zelf bedacht: tachtig jaar later wist zijn ex-klasgenoot uiteraard dat hij ooit het grappigste boek van de eeuw zou schrijven… Rick Honings had het voor zijn eerste hoofdstukken misschien beter bij een sfeerbeeld gehouden: zijn archief liet op dat moment niet meer toe.
Dat verandert als Beets op zijn negentiende in Leiden theologie gaat studeren en daar de eerste jaren een dagboek bijhoudt. Helemaal betrouwbaar is dat overigens niet omdat hij evident niet alles noteerde en in de versie die in de Beetscollectie bewaard bleef ook nog eens het nodige schrapte. Het dagboek is hoe dan ook de start van een voortaan nagenoeg ononderbroken stortvloed aan brieven, gedichten, redevoeringen en zo meer.
Exit ‘probleem-Beets’
Het relaas dat daar al die tijd vlakbij blijft kan op het eerste gezicht een beetje fantasieloos ogen. Wie de tijd neemt ontdekt dat Rick Honigs gaandeweg (spelenderwijs is bij zoveel archiefwerk niet het geschikte woord) en zonder veel stemverheffing een letterlijk grensverleggende prestatie levert omdat hij het roemruchte ‘probleem Beets’ dat sinds een bekend opstel van K. H. Heeroma uit 1950 de Beets-kritiek domineerde niet oplost maar laat verdampen.
Heeroma vroeg zich toen af hoe het mogelijk was ‘dat iemand op zijn zesentwintigste jaar een geniaal boek schrijft en daar na zestig jaar lang zich zonder protest een leven van gekroonde onbenulligheid kan laten welgevallen’. Hij begreep niet hoe Beets, die in de Camera superieur-ironisch naar zijn kleinburgerlijke Umwelt keek en die voordien, in zijn Byroniaanse jeugdwerk, ook niet direct platgetreden paden bewandelde, de verdere rest van zijn lange leven glorieerde met brave domineespoëzie en preken waar sindsdien zo goed als niets van overbleef.
Als we Rick Honings mogen geloven is dat contrast overtrokken en misschien weinig meer dan een optische illusie: ‘het is maar de vraag of er sprake is van een probleem-Beets’. Enerzijds was de jonge Leidse dichter op zijn manier al voorzichtig: zo zijn de hoofdpersonen van zijn byroniaanse gedichten, nu overigens even vergeten als de brave verzen later, anders dan die van Lord Byron nooit expliciet ongelovig. De auteur zelf was dat evenmin en bereidde zich, al nam hij ruim de tijd voor zijn literaire ambities, in volle ernst voor op zijn loopbaan als predikant. Anderzijds is ook de Camera, maar dat wisten we natuurlijk al langer, allesbehalve een rebels boek. Honings citeert op zijn beurt de semi-programmatische zin uit ‘Varen en Rijden’, waar Beets’hoofdpersoon en alter ego Hildebrand aangeeft dat hij zich ‘schikt in alles, mits [hij] aan alles een belachelijke kant mag zoeken [en] daarover uitvaren en schertsen.’ Hij ontdekt die belachelijke kanten ruimschoots bij ‘De Familie Stastok’, waar hij een week op visite gaat, of bij de ‘onaangename’ neef Robertus Nurks die hij op bezoek krijgt ‘in de Haarlemmerhout’ en tekent daarnaast nog voor enkele andere komische profielen die hij telkens weer virtuoos te kijk zet. Hij heeft bij dat al, behalve misschien heel even in het beroemde verhaal over het diakenhuismannetje, nauwelijks oog voor de echt bedenkelijke kanten van zijn kleinburgerlijke Nederland.
Omgekeerd vernemen we dan weer dat het met de onbenulligheid die Heeroma bij de latere Beets ontdekt niet zo’n vaart liep. ‘Gekroond’ was hij zeker en graag; feit blijft wel dat hij alleszins niet op zijn lauweren rustte maar als dominee en later als Utrechts professor en veelgevraagd gastredenaar keihard werkte. Hij nam daarbij inderdaad ruim de tijd voor veel taken en plichten die niet direct grensverleggend waren, maar was bijvoorbeeld ook een ‘gezaghebbende stem in het abolitionismedebat’ en leverde zo een niet te onderschatten ‘bijdrage aan de afschaffing van de slavernij’ in de Nederlandse koloniën. Het valt ook op dat Beets, al stond hij principieel afwijzend tegen de toen lopende debatten over vrouwenemancipatie, in de praktijk nogal wat dichteressen de hand boven het hoofd hield; hun poëzie is intussen wel al even vergeten als de zijne… En zo zijn er her en der in Honings’ uitvoerige relaas nog wel enkele andere kleine verrassingen; sensationeel is het allemaal zeker niet, maar onbenullig evenmin.
De oudere Beets schreef geen tweede Camera, maar dat is misschien niet echt een mysterie: de eerste en enige was gewoon het hoogtepunt van een voor en na in alle betekenissen goed gevuld bestaan.
Profiel van een ambitie
Rick Honings vertelt zijn verhaal in woorden van Beets of minstens in termen die hij had kunnen gebruiken. Hij wijkt daar eigenlijk alleen van af als hij regelmatig aangeeft dat zijn ‘apothekerszoon uit Haarlem’ zijn leven lang bijzonder eerzuchtig was. Dat zei Beets uiteraard nooit met zoveel woorden: zijn dichtwerk en het Camera-verhaal ‘De Familie Kegge’, waar Hildebrand vertelt over een familie die in de Oost rijk geworden is, gaan er integendeel van uit dat iedereen zijn ambities beter beperkt tot de stand of klasse waarin hij of zij geboren was. Zelf deed Beets dat dus niet. Zijn biografie is ook het verhaal van een niet aflatende ‘struggle for highlife’ (term van Rick Honings), waarbij Beets genoot van zijn populariteit, fier was op zijn adellijke echtgenotes en niet rustte voor hij zelfs bij het koningshuis een graag geziene gast was.
Gedreven ambitie was in de negentiende eeuw niet uitzonderlijk en zelfs een trend. Rick Honings noteert dus zonder overmatige verwondering dat Beets bovengemiddeld in die Zeitgeist deelde en gaat, omdat hij nu eenmaal graag vlak bij zijn bronnen blijft, ook niet echt in op de precieze berekeningen van die eerzucht: Beets sprak of schreef daar niet over en we mogen aannemen dat hij veel dingen eerder quasi instinctief deed dan hij er expliciet over nadacht. Omdat je als lezer iets meer mag doordraven dan als voorzichtige biograaf vraag ik me hier toch af of die ambitie niet onderhuids kon meespelen bij allerlei keuzes en beslissingen waar ze dus niet ter sprake kwam.
En dan hebben we allereerst de bekende kwestie van het byronisme van de jonge Beets, die zijn eerste faam verwierf met berijmde verhalen en andere poëzie in de sfeer van Childe Harold maar daar kort na het verschijnen van de Camera voorgoed mee ophield. Rick Honings noteert terecht dat Beets ook zijn sombere melancholische kant had en dat zijn jeugdige bewondering voor en navolging van Lord Byron wel degelijk persoonlijk doorvoeld waren; het belet niet dat zijn byronisme toen in Nederland een nieuw geluid was en dus ideaal geschikt om een dito profiel op te bouwen. Eens die reputatie gevestigd lag het later voor de hand ze te bevestigen en uit te breiden met meer consensuele accenten. Twee generaties vroeger was de grote Goethe al doorgebroken met zijn rebelse Werther en helemaal beroemd geworden toen hij in Weimar alle Sturm und Drang wijselijk achter zich liet. Om je naam te maken moet je onverwacht uit de hoek komen, om die te bewaren moet je daar tijdig mee weten op te houden! Beets slaagde er misschien mutatis mutandis op dezelfde manier in de byroniaanse kant van zijn persoonlijkheid geschikt uit te spelen en die daarna op het juiste moment het zwijgen op te leggen.
Enkele jaren later stond hij als jonge dominee in Heemstede en bekende hij zich daar tot de conservatieve vleugel van zijn Hervormde Kerk. Hij onderhield een tijd lang goede contacten met mensen als Isaac da Costa en P.-A. De Génestet, die in het voetspoor van Bilderdijk de Réveil-beweging op gang brachten, maar evolueerde al vlug naar meer gematigde opstellingen en wou, volgens een van de zeldzame verzen die uit zijn dichtwerk overleefden, vooral ‘geen partijman wezen’. Beets bleef conservatief, maar hoedde zich er wel voor reactionair te worden. Ook dat zou cassant geweest zijn en paste dus, al zal hij dat ongetwijfeld nooit zo berekend hebben, minder bij een ambitie die op brede populariteit mikte.
Beets toonde zich al even omzichtig bij zijn meer militante engagementen. Hij was lid en een tijd lang zelfs ondervoorzitter van de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij; het was uiteraard een meer dan nobel doel, maar tegelijk een programma dat niet meteen tot radicale verschuivingen in zijn onmiddellijke omgeving dreigde te leiden, waar er immers geen slaven waren. Hetzelfde geldt voor zijn jarenlange inzet voor allerlei activiteiten ter ondersteuning van de protestantse zendingswerken: het bleef bij collectes, sowieso een vertrouwde praktijk in alle kerken, en de missionarissen zelf verlegden hun stenen, als ze daarin slaagden, op verre en dus veilige afstand. Beets’ allerlaatste publieke tussenkomst was een warm woord voor de Zuid-Afrikaanse Boeren in hun strijd tegen de Engelsen. Zijn Afrikaners vochten hun strijd, die ze enkele jaren later zouden verliezen, opnieuw uit aan de andere kant van de wereld.
Beets zal zijn not in my backyard nooit zo cynisch berekend hebben. Hij surfte gewoon mee op een succesverhaal van het conformisme, dat nu ondenkbaar zou zijn maar dat perfect op maat gesneden was voor zijn Biedermeier-Nederland, waar hij tegelijk briljant vooraan en feilloos in de pas liep. Dat alleen al maakt zijn lange leven na de Camera – en dus de vuistdikke biografie van Rick Honings – bijzonder interessant: je kan je geen betere kennismaking met de hele eeuw van Beets voorstellen…
Een recensie van God, Gezin en Vaderland. De Eeuw van Nicolaas Beets. 1814-1903 van Rick Honings door Paul Pelckmans.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.