Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Henk Ester (1952) won in 2013 de C. Buddingh’-prijs met Bijgeluiden. Dat bekroonde debuut bleek het eerste luik te zijn van een doorlopend genummerde gedichtencyclus. Esters oeuvre valt uiteen in ‘Bijgeluiden’, hoofdstukjes van telkens vijf apart genummerde gedichten, maar waarin soms nummers (gedichten?) ontbreken. Met Esters zesde bundel Raamsopranen verschijnen de ‘Bijgeluiden’ nummer 84 tot 100.
Wandeldichter
Ester is een echte wandeldichter. In de vijf voorgaande bundels struint hij rond in de Utrechtse binnenstad of op de Maasvlakte, in kathedralen en musea, bossen en duinen en registreert impressies, op zoek naar die ene rake formulering. De openingsregels van zijn debuut waren in die zin al een programmaverklaring:
Een dichter treedt niet op, zet de dingen niet naar zijn hand en
verklaart niets. Hij kijkt, luistert, staat aan de kant, in de berm,
midden op de weg, aan zee, op een berg of in het centrum
van een stad.
Het lyrisch ik is in het werk van Ester volkomen doorzichtig. Het centrum wordt niet bezet door een vastomlijnd subject met een persoonlijkheid – bovendien worden autobiografische details grondig gecamoufleerd – maar door een leegte waar prikkels en signalen aan blijven kleven.
Als elke echte wandelaar heeft Ester favoriete routes. Zijn oeuvre bevat tientallen interne verwijzingen: plaats- en persoonsnamen, uitdrukkingen, woorden en beelden keren terug over de bundelkaften heen en vormen geheime gangen in een complex systeem. Esters werk heeft nog het meeste weg van een bewustzijn vol associaties en herinneringen.
Al die opgevangen ‘bijgeluiden’ resulteren regelmatig in een overweldigende realisatie van de omvang van de wereld. Die sensatie wekt op haar beurt het poëtisch verlangen om een rotsvaste bodem te vinden, een theorie op te stellen. Ester de mijmerende wandelaar is altijd ook een nieuwsgierige wetenschapper. Hij studeerde Geografie en Filosofie, gebruikt graag wetenschappelijk jargon, laat de namen van beroemde theoretici vallen en zoekt in zijn werk aansluiting bij de heersende paradigma’s. Dirk De Geest typeerde Esters gedichten terecht als ‘notities in de marge’; dit is het werk van een wandelende maar vooral ook een lezende dichter.
Januskop
Met Raamsopranen lijkt de lange parade van bijgeluiden uit te monden in een overkoepelende beschouwing van klank en stilte; een auditieve januskop. De flaptekst geeft als vertrekpunt voor de bundel de Mariaplaats in Utrecht, waar de muziek van repeterende conservatoriumstudenten uit de openstaande ramen waait. Al in het derde gedicht, getiteld ‘1 – in schoonheid’, zien we Ester aldaar halt houden. Hij hoort viool- of cellospel, staat even stil bij de wonderlijke aard van muziek en kijkt omhoog:
zoals een roos bloeit kijkt zij naar zichzelf
zuivere poëzie
is geen droom, loopt niet vast in de afgrond van het zijn
zij is opmerkzaam, laat de klank de klank voorliggend
in schoonheid gaan
[…]
de hoge vlucht van een lege kist
hoor
zij is geen droom
zij laat de klank de klank in schoonheid
zij buigt zich, verbaast zich
het open raam, het plein
Misschien is het een regenachtige avond, staat Ester naast een regenplas en ziet hij zichzelf met de muziek mee ‘dirigeren in stilstaand water’ (een leidmotiefzinnetje dat ook in vorige bundels opdook).
Het daarop volgende gedicht heet ‘4 – In een flits’, maar sluit inhoudelijk direct aan bij het voorgaande. Symboliseert de afwezigheid van gedichten 2 en 3 misschien de dichter die halthoudt, luistert – zwijgt? Zijn misschien ál die ontbrekende gedichten in dit cyclische oeuvre een soort denkpauzes, alsof ze wel degelijk in de bundels horen, maar niet op het papier en in plaats daarvan in het hoofd van de lezer zijn opgenomen?
Zwijgen krijgt in Raamsopranen überhaupt een speciaal statuut. ‘Woorden brengen in beweging / waar klanken mee volstaan,’ verzucht Ester, alsof het hem eigenlijk spijt dat hij een dichter is en geen muzikant. ‘Klanken laten weten een oord te horen / waar woorden alleen van dromen / dat onrust aardt in tekort van taal.’ Ester is niet alleen jaloers op muzikanten, maar ook op schilders en wiskundigen, als beoefenaars van de intuïtieve kunsten. Hij eert de beroemde Hongaarse wiskundige Paul Erdös als ‘meester in verlaten’, want het excentrieke genie ‘hoort de vreugde / zonder voorbeeld zuiver toegepast’. Evengoed heeft Ester eerbied voor de schilderes Marianne von Werefkin die ‘schildert – met haar rug naar de wereld’.
Gelukkig voor Ester schaart hij zijn eigen discipline, de dichtkunst, toch ook onder de intuïtieve disciplines:
Een essayist wil komen waar de hand al is
de wiskundige, dichter en componist
zetelen in dezelfde rechter, zuiver
wachten in beweging – een wankel evenwicht
De essayist begint bij een min of meer concrete gedachte en werkt naar een logisch opgebouwde tekst toe; de wiskundige, de dichter en de componist beginnen bij een intuïtief beeld of gevoel en weten vaak amper wat het eindresultaat zal zijn. Die tweede werkwijze, die veel weg heeft van wandelen zonder bestemming, is voor Ester superieur.
Grammatica van de intuïtie
Meer dan in zijn vorige bundels houdt Ester zich in Raamsopranen bezig met taal als klank. Hij verkent het ontologische verschil tussen enerzijds het fonetische en anderzijds het semantische aspect van taal, waarbij hij suggereert dat het eerste noodzakelijk voorrang heeft op het tweede:
Woorden stellen het antwoord uit dat door hun klank
al is gegeven Zij zijn niet op zoek naar een mysterieuze
wereld, de plek waar klanken hun onmiddellijkheid vieren
Zij luisteren op afstand naar het feest, herinneren zich
het vuur, het koor, het jongenskoor In elk woord huist
de klank als klank en het verlangen zijn onmiddellijkheid
te duren
Jan de Jong duidde het werk van Ester als een zoektocht naar de ‘grammatica van de intuïtie’. Inderdaad, Ester schrijft op de tast, hardop denkend, gegidst door (klank)associaties. Intuïtie en spontaniteit zijn voor hem voorwaarden voor ware kunst en baanbrekend werk. In Raamsopranen stelt hij zelfs een hiërarchisch lijstje op van disciplines, gerangschikt naar de mate waarin intuïtie er een belangrijke rol bij speelt. De wiskunde en muziek staan in dat lijstje bovenaan, met daaronder de poëzie en de schilderkunst en onderaan de essayistiek.
Helemaal aan de top prijkt echter de natuur zelf. Ester alludeert op Olivier Messiaens compositie voor piano, Catalogue d’Oiseaux, en stelt dat ‘de honingvogel […] ver vóór kunstzinnigheid zijn vlucht / vertaalt in messiaense kleuren’. Dat wil zeggen: de natuur heeft taal noch rede nodig om schoonheid te scheppen en is daarom de enige ware kunstenaar.
Ester schreef in zijn voorlaatste bundel Kameren van vuur (2023) al steeds explicieter ‘over het schrijven zelf’, aldus wederom Dirk De Geest, en leek ook toen al de wetenschap, wiskunde en muziek als louter ‘symbolen van het poëticale proces’ te beschouwen. In Raamsopranen werkt Ester die analogie verder uit en streeft hij dezelfde spontaniteit en intuïtieve vindingrijkheid na die grote wetenschappers, wiskundigen, componisten en (jazz)muzikanten aan de dag leggen. Tegelijkertijd betreurt Ester het hardop dat hij die briljante speelsheid als dichter nooit zal bereiken, omdat de taal zich nu eenmaal zoveel minder goed leent om geheel vrij van de rede te experimenteren en scheppen.
Muzikaliteit
Voor een bundel waarin klank en stilte zo’n essentiële rol spelen, bevat Raamsopranen verrassend weinig muzikaliteit. Esters vrij vers is vooral leespoëzie en komt hardop voorgelezen nogal log over. Ook wil Ester soms te conceptueel schrijven en balanceert zijn werk hier en daar op de smalle richel tussen diepzinnigheid en woordenbrij:
schreeuwend licht bewegen
in asfalt reflecterend
moeten
dat zijn grond niet vindt
in iets anders dan moeten
zo zijn
licht & donker
de wereld en het brein
sporen
van aanhoudend onmiddellijk scheuren
schrijvend
in reflecterend licht
afstaan
om te horen
In dergelijke passages zijn metrum, vocabulaire, syntaxis én inhoud niet sterk of gevarieerd genoeg om echt te blijven boeien. Door de afwezige interpunctie en het spel met vervagende grenzen tussen woordsoorten en hoofd- en bijzinnen lezen sommige passages bovendien wat stroef. Toegegeven, intuïtie en spontaniteit zijn belangrijke leidraden voor de kunstenaar en zijn in vrij vers veel beter toepasbaar, maar een intuïtieve werkmethode mag ook weer niet leiden tot gratuite willekeur. Waarom zou Ester zijn bijgeluiden niet een keer in metrische en/of rijmende versregels gieten?
De paar kritiekpuntjes nemen niet weg dat Henk Esters oeuvre met deze zesde bundel een indrukwekkende mijlpaal heeft bereikt. Wie weet is de cyclus van precies honderd bijgeluiden bij dezen afgerond en volgt de Utrechtse wandeldichter in zijn volgende werk een nieuwe route. Hoe dan ook zal het lonen om hem te blijven volgen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.