Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Lichamen zijn de plekken waarin we wonen. Vóór huizen, steden en landen is een lichaam de enige plek die echt thuis is. En toch is het een thuis dat we nooit volledig kennen of onder controle hebben. Lichamen zijn broos en verraderlijk, en het eigen lichaam nog het meest: het verandert, faalt en wankelt. Dorien De Wit onderzoekt in Heim, of het verhaal van mijn duizeligheid wat het betekent als dat allereerste thuis begint te draaien en hoe dat samenhangt met een angst om ver van huis te gaan. Zelf omschrijft ze het zo: ‘Ik ben met een elastiek verbonden aan huis. De rekbaarheid verschilt van dag tot dag, van jaar tot jaar, maar het bepaalt mijn actieradius als een onzichtbare grens.’
Dorien De Wit is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Haar debuutbundel Eindig de dag nooit met een vraag werd bekroond met de Poëziedebuutprijs 2022. De jury prees haar om precies de thematiek die in Heim terugkeert: hoe bang we zijn voor verandering en hoe onmachtig om vast te houden aan wat bestaat. In haar poëzie is er voortdurend sprake van een wankelend zoeken. Niets biedt de lezer of de schrijver houvast in een wereld die voortdurend beweegt. De Wit zei zelf in een interview over haar poëzie: ‘Ik hoop dat de grond onder de voeten van de lezer ook wat gaat schuiven.’ In Heim wordt die suggestie nog explicieter en onderzoekt ze twee gerelateerde kwalen die haar leven bepalen: de duizeligheid die haar lichaam uit balans brengt, veroorzaakt door een concrete aandoening aan het evenwichtsorgaan, en de angst om ver van huis te gaan.
Hoe langer De Wit graaft, hoe meer die twee in elkaar overlopen, en hoe moeilijker te zeggen valt waar de ene ophoudt en de andere begint. Ook in de termen die ze opdiept uit de geschiedenis begint de grens tussen angst en duizeligheid te vervagen: agorafobie, heimwee, reisangst, Platzschwindel, nostalgia, mal de debarquement. Is de angst een gevolg van de duizeligheid en dus een redelijke reactie op een lichaam dat niet te vertrouwen is? Of is de duizeligheid lichaamstaal voor een angst – een letterlijke heim-wee of “thuis-pijn” – die al veel langer bestond? De Wit stelt die vraag keer op keer en vindt geen antwoord.
Wanneer De Wit toch besluit te reizen, dan boekt ze eerst vijf hotels met gratis annuleringsmogelijkheid, zodat ze tot op het laatste moment van gedachte kan veranderen. Ze belt voor vertrek met haar vader, die de angst herkent. Ze reist via Street View door de straten vóór ze ergens heen gaat, om het gebied in kaart te brengen voordat het lichaam er moet staan. Ze zwemt in water dat zo koud is dat het alle andere angsten uitbant. Op die manier onderhandelt De Wit, al schrijvend, met zichzelf over haar territorium: waar ze heen kan, hoe ver van huis ze mag, en hoe stevig ze zal staan. ‘Maar angst is het probleem niet. Angst is een gebied waar ik omheen kan leven. Het probleem is alleen dat mijn leven ongemerkt de vorm aanneemt van dat gebied.’
Schijnbewegingen noemt De Wit de reizen die ze maakt vanuit haar stoel. Ze verbindt er de naam van een kunstwerk van Alighiero Boetti aan: non parto, non resto, ik vertrek niet, ik blijf niet. Met die woorden geeft ze een naam aan de permanente tussenpositie waarin iemand met reisangst leeft: nooit helemaal thuis, nooit helemaal weg.
De Wit beschrijft in Heim weinig acute aanvallen of concrete crises, maar een voortdurende, stille architectuur van vermijding die vanzelfsprekend is geworden. Hoe groot de impact op haar dagelijks leven precies is, blijft onduidelijk. Buiten een korte vermelding van een residentie in Barcelona waar ze onderuit probeert te komen en een masterstudie die ze afbreekt omdat er een uitwisseling naar Tokio op het programma stond, is het voor de lezer niet precies duidelijk wat de angst haar concreet heeft ontnomen. Dat is wellicht een bewuste keuze, maar daardoor voelt de conclusie van de narratieve boog, een reis naar Londen, niet helemaal als een overwinning of een bevredigend slot. Wellicht laat De Wit de lezer hier bewust in het ongewisse en zijn de grenzen van haar angsten inderdaad niet zo helder. Sowieso hoeft de lezer niet alles te weten.
Heim, het Duitse woord voor thuis, draagt in de filosofische traditie een donkere dubbelganger mee. Martin Heidegger beschreef Unheimlichkeit in 1927 als een van de meest fundamentele stemmingen van het menselijk bestaan: het gevoel dat de vertrouwde wereld plotseling haar vertrouwdheid verliest. Voor Heidegger was dit geen ziektebeeld maar een onthulling. Unheimlich is het moment waarop het bestaan zich toont zoals het werkelijk is: grondeloos, onvast en zonder garanties.
Acht jaar eerder had Sigmund Freud datzelfde woord al opgeëist, maar dan voor de psychologie in plaats van de ontologie. In Das Unheimliche (1919) beschreef hij hoe het onheilspellende niet het absoluut vreemde is, maar juist datgene wat ooit vertrouwd was, verdrongen werd, en nu terugkeert in een onherkenbare gedaante. Het angstaanjagende is niet wat van buiten komt, maar wat van binnen opwelt.
De Wit haalt Freuds beschrijving van agorafobie aan (‘een ‘vermomde angst, een dekmantel voor een andere angst’) en brengt beide denkers samen. Haar lichaam is het Heim, de enige plek die echt van haar is, de plek die ze nooit kan verlaten. Maar juist dat lichaam wordt unheimlich: het evenwichtsorgaan liegt, de vloer draait, de grond geeft mee. Het wordt unheimlich precies op het moment dat je zelf letterlijk ont-heimd – weg van huis – bent en dus op je lichaam moet kunnen vertrouwen: wanneer je vertrekt, in een nieuwe omgeving moet navigeren of overeind moet blijven in het onbekende.
De angst voor het reizen is zelden de angst voor het vreemde als zodanig: voor een nieuwe stad, andere taal, of een onbekend bed. Het is de angst voor wat vertrouwd is en je toch dreigt te ontglippen. De Wit vangt die angst in lijsten. Prominent aanwezig is de angst om iets of iemand te verliezen zonder afscheid te kunnen nemen: haar ouders, haar geliefde, haar zicht of de controle over haar eigen lichaam.
Dingen waar ik bang voor ben:
De kans, de hele kleine kans, dat ik op een dag door een zeldzame aandoening het vermogen verlies om te spreken zodat ik niet meer kan zeggen dat ik niet kan spreken.
Mijn hart voelen kloppen
Doodgaan.
Dat ze mijn dagboeken lezen als ik dood ben.
Een nabestaande worden.
Kernafval.
Kanker.
Zwaartekracht.
Een plotseling einde van de zwaartekracht.
Heim bevindt zich op het snijvlak van memoires, essay en poëzie. Het boek bestaat uit korte fragmenten, soms een halve bladzijde, soms enkele bladzijden, telkens gescheiden door een vette gecentreerde komma. Heim spiegelt de lijstjesvorm van hierboven dus ook in zijn structuur: het boek is een reeks gedachten, bespiegelingen en anekdotes met komma’s ertussen. De hoeveelheid witruimte op een pagina doet soms denken aan een gedichtenbundel.
Die hybriditeit is een noodzaak. Het essay, in de traditie van Montaigne, die zijn Essais schreef in een toestand van ziekte en gedwongen afzondering, is precies de vorm om te zoeken, te proberen, en uiteindelijk nieuwe vragen te vinden. De Wit is daarin breed belezen en associatief. Buiten Freud haalt ze er nog een reeks denkers en schrijvers bij die dezelfde angsten onderzoeken, vaak aan de hand van hun eigen ervaring. Graham Caveney, een Britse journalist en schrijver van On Agoraphobia (2022), omschrijft pleinvrees als ‘een onvermogen om de vorm van de wereld te accepteren’. Historicus Paul Carter ziet agorafobie als ‘binnenstebuiten gekeerde claustrofobie’. Verder duikt De Wit in de etymologie van nostalgia – oorspronkelijk een lichamelijke diagnose bij Zwitserse huursoldaten die ziek werden van verlangen naar huis – en van de neurologische term Platzschwindel, een duizeligheid gebonden aan specifieke plaatsen. Ze laat Emily Dickinson aan het woord, die dichtte over angst als verslaving:
I lived on Dread
To Those who know
The Stimulus there is
in Danger – Other impetus
is numb – and Vitalless —
Shirley Jackson, koningin van de gothic horror, schreef: ‘Ik heb mezelf in het huis geschreven.’ De Wit citeert het en voegt eraan toe: ‘Ik stel me voor dat de angstige wereld die ze op papier had gezet, tijdens het schrijfproces in haar hoofd is gaan wonen.’
In al die voorgangers leest De Wit ook zichzelf. Heim is geen ziekteboek in de gebruikelijke zin. Er is geen diagnose die verlossing brengt, geen catharsis, geen helder herstelverhaal. De kwalen waarmee De Wit leeft zijn niet op te lossen met een cursus of medicatie. Dat voelt verfrissend, want literaire non-fictie met ziekte of angst als onderwerp kan vaak therapeutisch of confessioneel worden. De Wit kiest in plaats daarvan voor het onderzoekende en het observerende. Als ze al op zoek is naar een ‘oplossing’, dan ligt die in bibliotheken en archieven, waar schrijvers, dichters en denkers al eeuwenlang woorden geven aan hun moeilijk te plaatsen angsten.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.