Proza, Recensies

Waarlijk opgestaan, deerlijk bijgestaan

Sta bij

Leo Pleysier

In volksverhalen is een zwarte ruiter een duivelse bode van de dood. De bode kan zich tot een gids ontpoppen zoals in het middeleeuwse ridderverhaal Karel ende Elegast. In Leo Pleysiers novelle Sta bij (2026) is De Zwarte Ruiter op het eerste gezicht doodgewoon een restaurant in Hoogstraten waar de familie Brems in een bovenzaaltje bijeenkomt voor een etentje. De ouders, ooit boomkwekers maar intussen op hoge leeftijd, namen het initiatief om hun kinderen met partners uit te nodigen. De familieleden hebben namen als David, Kristien, Marcel en Nora; ze werken in Mol of bij Janssen Pharmaceutica in Beerse.

Het mag duidelijk zijn dat we ons in Pleysier-land bevinden. Daar regeren familiale banden, de provinciale setting van de Kempen en dito mentaliteit, het alledaagse leven, Vlaamse omgangsvormen en streektalige wendingen. Maar in die vertrouwde omgeving broeit het altijd van betekenis. Bovendien ontkomt er bij Pleysier telkens wel iets aan de quasi tijdloze lokale sfeer, al was het maar, zoals hier, een apart voorgerecht (okonomiyaki, een Japanse hartige pannenkoek) of een terloopse verwijzing naar de politieke actualiteit: ‘ik hoor hoe Erik en Marcel aan het discussiëren zijn over de vraag of de partijvoorzitter van de Waalse liberalen retorisch wel zo superieur is als vaak beweerd wordt’. Hoe uitgevlakt de situering ook is (niet ‘Bouchez’ of ‘MR’ maar ‘de partijvoorzitter van de Waalse liberalen’), lezers weten dat het verhaal zich in hun tijd afspeelt.

Sta bij ontwricht het familiefeest van herkenning echter al vanaf de eerste zin, wanneer de overleden Dirk mee aan tafel schuift voor het driegangenmenu. Zijn zussen en ouders hebben hem al tientallen jaren niet meer gezien, maar hij is sindsdien geen haar veranderd. Voor Anna, die het verhaal vertelt, is haar broers verschijning tegelijk wél en niet eigenaardig, zoals in een droom. Hij houdt zich ongewoon afzijdig en stil, maar niemand van de familie is verbaasd dat een dode hen komt vergezellen. Misschien is hij ‘waarlijk opgestaan’ zoals Jezus, die in het Bijbelse verhaal van de Emmaüsgangers na zijn dood mee tafelt voordat hij in de hemel opgenomen wordt. Ook voor Anna ligt een religieuze duiding steeds binnen handbereik, maar dan in een mild ironische vorm. Een van de hoofdstukken waarin ze terugkijkt op het leven van Dirk, is opgehangen aan de vraag uit de catechismus of God alles ziet en weet. Ze stelt zich de grote allesweter levendig voor als een grote betweter: ‘het is niet omdat ik zelf alles vooraf en tot in de finesses al weet, dat ook mijn schepsels dat moeten weten – dat zal God ook wel daarbij gedacht hebben’. In het heden is Anna echter niet meer de goedgelovige die ze was toen ze de catechismus instudeerde.

 

Heden en verleden

Als we het onthullende laatste hoofdstukje even buiten beschouwing laten, dan gebeurt er in het nu-moment van de vertelling niet veel meer dat dit: Anna ziet Dirk terug en probeert hem aan te spreken, waar ze slechts na mislukte pogingen in slaagt; de familie eet in het zaaltje en laat Dirk bij vertrek achter in het donker. In de dertien korte hoofdstukken krijgen broer Dirk en verteller Anna echter steeds meer body door flashbacks, die tegelijk vernuftig gedoseerd en soepel ingewerkt zijn. Dirk leren we daardoor kennen als een onstuimige tiener, die het op school geregeld te bont maakt maar uiteindelijk zijn draai vindt in de landbouwschool. In een openluchtzwembad doet hij een bacteriële infectie op, die hem later fataal zal worden. Nadat hij tijdens een fietstocht met een kameraad neergezegen is, wordt hij in een Hasselts ziekenhuis opgenomen, waar hij zal sterven. Op dat moment is Anna net twintig jaar oud.

Vergeleken bij Dirk is Anna net erg schools. Ze studeert in de Brusselse Rand, waar ze bevriend raakt met Alice, en wordt leerkracht. Tot haar achtenvijftigste geeft ze les in een buurtschool nabij de Nederlandse grens. Met haar man David is ze al dertig jaar getrouwd. Gaandeweg begrijpen we de innige band tussen broer en zus en bijgevolg het gemis dat Anna gewaarwordt, zonder dat de scènes aandoenlijk worden. Ze herinnert zich onder meer hoe ze als kind elkaars gezelschap opzochten, ‘hoe dicht en intiem hij en ik altijd tegen elkaar aan kropen wanneer we ons na schooltijd thuis in de keuken bij het AGA-fornuis zaten te warmen’.

Na zijn dood treft Anna een agenda aan waarin hij zijn financiële, sociale en seksuele leven als een boekhouder bijhield. De manier waarop ze zich aan de hand daarvan postuum in zijn leven verplaatst, doet denken aan Charlotte Mutsaers’ Harnas van Hansaplast (2017). In die roman neemt de verteller-zus de spullen en schrijfsels van haar overleden broer door om zich in hem te verplaatsen en haar eigen verhouding tot hem te bepalen. Ook de lichtvoetige toon is vergelijkbaar. Anna citeert allerhande lijstjes uit de agenda: opsommingen van kosten, meisjes, songs, enzovoort die ze tracht te doorgronden. Zo gedenkt ze haar broer en brengt ze hem als een goedaardig raadsel in beeld. Die blik van onderuit contrasteert met de goddelijke blik van bovenaf. Ze staan in de novelle tegenover elkaar en schuiven in elkaar als twee routes van zingeving.

Gezien haar katholieke opvoeding en generatie kan Anna niet anders dan een hogere instantie aan te roepen wanneer ze met Dirks einde geconfronteerd wordt. In het Virga Jesseziekenhuis richt ze zich met een gebed tot de moeder van God, naar wie het ziekenhuis genoemd werd: ‘O machtige, o goede, o getrouwde moeder van altijddurende bijstand. Sta bij, stabat, en wees ons nabij nu. […] sta vooral toch onzen doodzieke Dirk bij die daarbinnen in die klotekamer op dat kloteziekenhuisbed ligt waar hij, eenmaal de bezoektijd afgelopen, van God en klein Pierke verlaten achterblijft’. Het middeleeuwse Stabat Mater waarop Anna’s woorden alluderen, drukt de smart van Maria uit terwijl ze bij het kruis staat. Anna’s vertelling valt te lezen als een variant van zo’n geestelijk lied van compassie en verdriet. Niet voor niets is de titel eraan ontleend.

 

Beheerste taal

Omdat Pleysier spaarzaam is met woorden, eisen welgemikte details en treffende beelden de aandacht op. Dat Anna enkele weken na Dirks begrafenis voor de spiegel zijn kleren aantrekt en allerhande poses uitprobeert, suggereert meer dan louter rouw en gemis. Wanneer haar vader haar betrapt, denkt ze: ‘En zie mij hier nu achterblijven’. De zin vormt op zijn eentje een alinea, herinnert aan Dirks ‘achterblijven’ in de ziekenhuiskamer, en veronderstelt een lezer als getuige die rechtstreeks aangesproken wordt. Bij het vertrek uit De Zwarte Ruiter krijgt de zin opnieuw een echo, wanneer ‘onzen Dirk nu heel alleen in het bovenzaaltje van De Zwarte Ruiter moet achterblijven’.

Aan alles valt dus te merken dat in deze novelle verteltechniek en stijl ingehouden en zorgvuldig georkestreerd worden. Haar spankracht ontleent ze aan de manier waarop heden en verleden elkaar afwisselen, alsook vertelling, dialoog en onconventionele vertelvormen (zoals het ingebeelde perspectief van een alwetende God of de afbrekende pogingen tot spreken met een dode). De sfeer van een tijd en plaats weet de novelle op te roepen door occasionele vermeldingen van film (La Maman et la Putain) en muziek (Non ho l’età), terwijl literaire verwijzingen zoals die naar Celan en Goethe de gelaagdheid van de vertelling versterken. Op niet opzichtige wijze verheft Pleysier het alledaagse tot het universele.

De taal is toegankelijk, met vaak korte en elliptische zinnen afgewisseld met complexe zinnen wanneer het moment erom vraagt. Hoe kort de hoofdstukken ook zijn, de tekst bevat geregeld redundante passages die het effect vergroten. Wanneer Anna’s moeder bijvoorbeeld reageert op de verschijning van Dirk, zit haar ontzetting in de nodeloze herhaling van dezelfde gedachten: ‘ik houd het hier niet langer uit aan tafel en nu wil ik daarginds bij het venster in een van die rotanstoelen gaan zitten want ik kan dit niet aan, zegt ze, neem mij niet kwalijk maar ik ben helemaal overstuur en ik moet weer op mijn plooi komen’. In plaats van de scène banaal te maken door emoties te expliciteren, zet de auteur banale taal, cliché en herhaling paradoxaal in om emoties uit te diepen.

 

Menu

Een geserreerde vertelling over verlies vanuit het perspectief van de familie; een vertelling die een dode opwekt, nooit larmoyant wordt maar wel alle snaren raakt: zo was destijds Pleysiers Wit is altijd schoon (1989) en zo is nu Sta bij. In zijn literaire klassieker luisterde een zoon naar de monoloog van zijn pas gestorven moeder, terwijl ze in haar huis opgebaard ligt. In de stilering van haar anekdotes en taalclichés brengt de verteller haar tot leven. Met Sta bij herinnert Pleysier aan zijn beheersing van die kunst en creëert hij een nieuw spel van postuum spreken en zwijgen. De vertelling geeft wellicht nog het meest vervulling vergezeld van andere titels van Pleysier, die ermee resoneren als je ze samen leest. Menusuggestie: neem Klokgelui (2022) als voorgerecht, Volgend jaar in Berchem (2000) als hoofdgerecht en savoureer dan Sta bij als dessert.

De Bezige Bij, Amsterdam, 2026
ISBN 9789403139067
144p.

Geplaatst op 27/09/2026

Tags: Leo Pleysier, Sta bij

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

  1. Gijs Zandbergen

    Het nadeel van zo’n uitgebreide navertelrecensie is dat ik straks bij het lezen van Sta bij niet meer verrast word. Ik houd van het werk van Pleysier, dus dat komt wel goed, maar daar heb ik deze samenvatting niet voor nodig.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.