Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Eind jaren dertig was de schilder Constant Permeke de afgod van de jonge aankomende criticus Jan Walravens. Hij was voor hem ‘het genie “à l’état pur”’. In die tijd was gezwijmel over de kosmische of archetypische aard van het werk gemeengoed en nog altijd kan men onthutsend genoeg niet ophouden over de ‘oer-Vlaamse’ aard van de schilder.
In zijn essay Verve. Constant Permeke, kunstenaar en schrander zakenman rekent Jan Ceuleers, in een vorig leven kunsthandelaar en nu onafhankelijk onderzoeker, af met ‘de mythe Permeke’. In één beweging maakt hij ook een groot deel van de kunstgeschiedenis en -kritiek zoals die lang bedreven werd en nog wel eens bedreven wordt, belachelijk. Het zijn niet de critici die Permeke groot hebben gemaakt, stelt hij, maar het is het werk van de kunstenaar zelf dat zoiets doet. Bovenal zorgt daarvoor de vorm ervan, die de inhoud creëert.
Ceuleers wil geen interpretaties toevoegen en weigert symboliek in het oeuvre te zien. Zijn bedoeling is eenvoudig, of beter tweevoudig; ten eerste tonen hoe niet de intentie maar de vorm zelf van Permekes kunst zijn succes bepaalde en ten tweede verslag doen van de artistieke beslissingen waarmee Permeke zich van zijn concurrenten wist te onderscheiden. Tussen die twee doelen bestaat wel enige tegenspraak omdat de tweede optie nu net leidt tot een sterke gerichtheid op de intentie van Permeke.
In feite is er nog een derde doel dat aan het boek ten grondslag ligt: tonen dat het pecuniaire in sterke mate de kunst bepaalt. Permeke schilderde immers niet alleen vanuit een grote innerlijke drijfveer, maar werkte ook om het geld. Dat was algemeen bekend, want hij had de bijnaam ‘Comptant Permeter’. Hij zag het graag groot, ook in het leven: mooie auto’s en een groot huis. Daardoor stonden de schuldeisers soms op zijn drempel, dat beweerde hij althans als hij weer eens een cheque probeerde los te peuteren. Lezen deed hij niet, wel vogelpik spelen en boogschieten. Zo ontstond ook de mythe van de grote intuïtieve schilder waar Ceuleers niet geheel mee kan afrekenen, ook al is het portret dat we krijgen dat van een gehaaide zakenman en harde onderhandelaar.
Permeke was zich zeer bewust van wat hij maakte, van zijn herhalingen en zelfs van wat goed en slecht was. Als Verve zo overtuigend overkomt, is het omdat het essay probeert de minderwaardige van de goede Permeke te onderscheiden. Het legt de nadruk op de materialiteit van zijn werk, dat fysieke kracht als voornaamste thema heeft. Het resultaat van zijn uitvergrotingen is verhevigd realisme; werk niet van een revolutionair maar van een reformist, ergens tussen avant-garde en niet avant-garde in.
Prachtige formele analyses van aparte werken ondersteunen de meningen van Ceuleers. Illustraties (niet van zo’n goede kwaliteit) zijn bijna niet nodig om het essay geldig te maken. Een constante in Permekes vorm blijkt de vervaging van zijn gezichten, waarvoor je geneigd zou zijn een psychologische verklaring te zoeken. Niet Ceuleers. Als hij het bekende, door Walravens geprezen werk ‘De verloofden’ (1923) beschrijft, blijft hij bij wat hij ziet:
Zijn torso is een harnas, bijna mechanisch; zij heeft een kapsel voor een uitstap, maar de plooien of het dessin van de zondagse bloes kunnen net zo goed een rotsformatie zijn. Hun handen zijn groot, die van hem reusachtig, welsprekender dan hun ogen.

[Constant Permeke, De verloofden, 1923. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Brussel), inv. 4868, foto: J. Geleyns]
Formele keuzes worden meermaals treffend geresumeerd, bijvoorbeeld Permekes keuze om na zijn terugkeer uit Engeland voort te bouwen op zijn experimenteel werk:
gebroken en onregelmatige lagen, een veelvuldig gebruik van het paletmes om de verf expressieve kracht te verlenen, verdraaide vormen en niet-functionele kleuren, vaak monochroom werk, weinig aandacht voor de derde dimensie in de figuurstukken, ongewone uitsnijdingen, de larger than life personages, de beknopte, schetsmatige werkwijze die het non finito aankondigt, het tekenend schilderen en schilderend tekenen, geen decoratieve of narratieve elementen die de krachtige uitstraling verstoren.
Centraal bij Permekes vorm staan volgens Ceuleers het opzettelijk onvoltooide en de gemengde techniek (bijvoorbeeld van tekenen en schilderen) die hij gebruikt. Het non finito komt tegemoet aan zijn onrust en zijn gemakzucht, maar is tegelijk een moderne manier om de toeschouwer nauwer bij de kunst te betrekken: die moet het doek met fantasie afwerken.
Ceuleers heeft op deze schilder een onderbouwde visie die vaak afwijkt van de gangbare, wat zeldzaam is in de wereld van de kunsthistorie. Hij ziet in de Eerste Wereldoorlog vooral experiment; hij toont welk een geweldig tekenaar Permeke was en dat de kunstenaar zich ook vernieuwde (niet stijf in zijn kluis bleef zitten, zoals hij zelf in een brief schrijft) telkens wanneer hij zich begon te vervelen. De bladzijden over de late Permeke zijn bijna ontroerend door de manier waarop Ceuleers een andere, fijnzinnige schilder toont: ‘Die portretten zijn niet gemaakt door een “natuurkracht”, maar door een man van de wereld die hij altijd is geweest.’
Als Verve zo aanspreekt, is het vanwege zulke scherpe formuleringen naast de rake analyses. Permekes evenknie in marktstrategie, Albert Saverys, is ‘expert in banale marines en landschappen’. Soms is Ceuleers in zijn polemische ijver wat al te karikaturaal, bijvoorbeeld wanneer hij Gust De Smet en Frits van den Berghe wegwuift. Als lezer zou je soms toch nog méér willen: de schrijver heeft het voortdurend over ‘problemen’ en ‘oplossingen’ die de schilder vindt, maar benoemt die problemen zelden of nooit. Je vergeeft het hem echter graag, want in de bladzijden over de kunsthandelaar demonstreert Ceuleers meesterlijk hoe Permeke zijn tentoonstellingen en verkoop controleerde. Daarvoor raadpleegde hij ook nieuwe archieven, zoals die van de Nederlandse kunsthandel Buffa. Alleen hoe de kunstenaar de Tweede Wereldoorlog doorkwam, blijft een beetje in het vage.
Rake citaten van internationale critici (Simon Schama, Jean Clair en anderen) zetten Ceuleers’ visie kracht bij. Een laatste genot van het boek zijn de heerlijke brieven van Permeke zelf die erin opgenomen zijn. Grotendeels geheel nieuw materiaal. Ze tonen een schilder die laconiek op het arrogante af onderhandelt, over collega’s oordeelt en over zichzelf schrijft. ‘Luister niet naar de mensen die zeggen dat ik een slecht karakter heb,’ schrijft hij aan een kunstverzamelaar.
Dat alles maakt het essay van Jan Ceuleers spannender dan een literaire thriller. Het is fel en robuust geborsteld, zoals het werk van de geweldenaar Permeke zelf. Met verve dus.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.