Filosofie, Recensies

Dialoog die er geen is

Spreken over God

Een dialoog met Simone Weil

Byung-Chul Han (vert. Mark Wildschut)

Simone Weil is in. Onmiskenbaar. Boek na boek van haar wordt vertaald, boek na boek over haar verschijnt. Wereldwijd. Succes in stijgende lijn dus voor een auteur van inmiddels bijna een eeuw geleden: een Franse, uitgesproken katholieke intellectuele die amper drieënveertig werd en wier grillige, ten dele uit chaotische ‘cahiers’ bestaande oeuvre voor het overgrote deel postuum is gepubliceerd. Vanwaar dit succes? En waarom precies in onze tijd?

Ik weet het niet. Als ik mij die vraag stel is het enige antwoord dat bij me opkomt op zijn beurt ook weer een vraag: wat als dat te wijten is aan het feit dat ze vooral niet gelezen wordt – en dan voegt iets in mij daar onwillekeurig aan toe: dat men haar teksten leest vooral om niet te moeten lezen wat er staat?

Toen ik het boek van de bekende Duitse filosoof Byung-Chul Han las, Spreken over God. Een dialoog met Simone Weil, kon ik die vraag maar niet van me afschudden. Dat komt wellicht omdat ik in Weil ook altijd de gediplomeerd filosofe van de Parijse École Normale Supérieure zie. En filosoof is ze. Net zoals de Heidegger-scholar Byung-Chul Han dat is. Niet gek dus dat ik uitkeek naar een filosofisch boek.

En wat las ik? Een boek vol citaten van Simone Weil, geordend naar een aantal centrale termen uit haar denken, meteen ook de titels van de hoofdstukken: ‘Aandacht’, ‘Decreatie’, ‘Leegte’, ‘Stilte’, ‘Schoonheid’, ‘Pijn’, en ‘Inactiviteit’. Maar van een Auseinandersetzung met haar ‘filosofie’, laat staan een ‘dialoog’, is in Hans boek nauwelijks sprake.

De auteur flaneert van citaat naar citaat en geeft daarbij telkens een kort, vaak parafraserend commentaar. Op her en der een kritische opmerking na, stemt hij vooral in met Weil. Geen toeval dus dat hij in het ‘Woord vooraf’ gewaagt van een ‘zielsverwantschap’ met haar. Voor Han is Weils denken vooral een vat vol antwoorden. De achterflap vat het raak samen: ‘Han leest Weil door de lens van onze tijd en toont hoe haar gedachtegoed ons niet alleen helpt de crisis van het heden te begrijpen, maar ook een helend perspectief biedt.’ Dat helend perspectief is spiritueel. Weils oeuvre brengt ons in contact met een werkelijkheid die ons een alternatief biedt voor de waan van alledag waarin we worden blootgesteld aan alle mogelijke kwalen die onze cultuur teisteren: neoliberalisme, ecologisch wanbeleid, digitalisering, AI, psychische vervreemding, consumptie-ideologie, en wat dies meer zij.

Ik meende in het boek een bevraging van Weils spirituele antwoorden te zullen lezen. Tenslotte is, zoals gezegd, Han filosoof. Maar hij houdt het bij een presentatie en laat het bevragen voor wat het is. Op zich is daar niets mis mee, ware het niet dat hij het hele boek lang een filosofe citeert, maar het filosofische van haar denken nagenoeg onaangeroerd laat.

Niet dat het oeuvre van filosofe Weil zelf uitblinkt in vraagstelling. Haar teksten zijn behoorlijk stellig, vaak ronduit doctrinair. Ze schrikt er niet voor terug – en al zeker in haar ‘spirituele’ geschriften niet – heuse leerstellingen te debiteren en de vraagstelling die haar daartoe bracht ongeëxpliciteerd te laten. Maar haar bronnen zijn filosofisch, net zoals haar boodschap dat is. Dat die bovendien apert christelijk is, maakt de vaak doctrinaire toon er niet milder op. Filosofie en christendom zijn voor haar geen tegengestelde grootheden. Het zijn gestalten van eenzelfde waarheid of, exacter, van dé waarheid. Die laatste is te nemen of te laten en het liefst zet Weil die neer in een stijl die crescendo naar een steeds compromislozere strengheid toewerkt.

Wie die harde filosofie in Weil in rekening neemt, vindt in haar teksten niet snel het soelaas dat zovelen erin vinden. Wie dat soelaas er wel in wil vinden, kan dus het beste niet lezen wat er staat. Wat mij stoort in Hans boek is dat hij er alles aan doet om de lezer dit soelaas wel te gunnen. Hij doet daarom precies hetgeen waartegen hij zijn lezer wil waarschuwen: consumptielust. Hij prijst Weil aan als leverancier van een consumeerbaar recept tegen consumptielust en andere kwalen die de menukaart van het hedendaagse onbehagen sieren.

Inderdaad, Weils denken bevat een kritiek op dit alles, maar haar ‘remedie’ – haar denken dus – is moeilijker consumeerbaar dan Han ons voorschotelt. Uitvoerig de weerbarstige strengheid van haar denken uiteenzetten lukt hier niet. Een analyse van een paar citaten uit Weil en van Hans commentaar daarbij, kunnen als smaakmaker dienen.

 

Waarnemen/kijken

Aandacht is het eerste item uit Weils denken dat Han ons in zijn boek opdient. Het wordt geserveerd op een religieus gegarneerd bord. ‘De huidige crisis van de religie […]’: het zijn de eerste woorden van het eerste hoofdstuk. En, vervolgt Han, die crisis heeft niet zozeer met ‘geloofsinhouden’ te maken. ‘Er zijn veeleer structurele redenen’. ‘Daartoe behoort het verval van de aandacht’ (Han cursiveert). Die aandacht is ‘waarneming’ geworden, ‘vraatzuchtige’ waarneming. En dan lezen we:

 

Waarneming is extreem vraatzuchtig geworden. Zij mist elke contemplatieve weidsheid. Zij eet permanent. Consumptie is haar basishouding. […] Waarneming wordt bijna vetgemest met informatie- en communicatierommel, met klank- en kijkrommel. Wij verworden tot consumptievee. Waarneming wordt in toenemende mate door prikkels en verslaving gestuurd. Aangezien ze alleen nog maar bezig is met eten, kan ze niet meer kijken. Zo schrijft Weil: ‘Kijken en eten zijn hier op aarde tweeërlei. Je moet het een of ander kiezen. Zowel het een als het ander noemt men liefhebben. Alleen voor hen die het soms overkomt dat ze een tijdlang toeschouwer blijven, zonder te eten, bestaat er enige hoop op redding.’ Eten bevredigt slechts behoeften. Alleen kijken, alleen ‘schouwen’ verlost ons van de zinledige immanentie van het consumeren.’ (Han cursiveert)

 

Helder? Helder is in elk geval de kwaal. We consumeren overmatig, ondoordacht, te blind, en dit geldt zelfs voor het primaire niveau van onze waarneming. Onze beeld- en communicatiecultuur heeft ons verslaafd gemaakt; we zijn het verleerd waar te nemen zonder te consumeren en aan die consumptie verslaafd te raken.

En is het helder wat ertegen te doen valt? ‘Contemplatieve weidsheid’, zo lezen we. Wat houdt die in? Een citaat uit Weil (het eerste in het boek) moet het duidelijk maken. Dat citaat valt met de deur in huis. Er is alleen nog ‘waarneming’, en die moet worden vervangen door ‘kijken’. Jawel, je leest het goed. Het alternatief van ‘waarnemen’ is ‘kijken’. Hoezo? De lezer is op pagina 2 van hoofdstuk 1, en gezien dat nu eenmaal ‘Aandacht’ als titel heeft, leest hij ‘kijken’ hier spontaan als ‘aandachtig kijken’. Of contemplatief kijken, want dat is – zo las hij enkele regels erboven – wat het observeren mist. Maar dit is niet wat het citaat zegt. Het zegt dat waarnemen ‘eet’, ‘permanent eet’. Kijken doet dat niet, het aanschouwt zonder te consumeren. Het verlost ons van consumptie. Het komt erop aan ‘een tijdlang toeschouwer [te] blijven’ (te ‘kijken’ dus) en dit ‘zonder te eten’ (zonder waar te nemen).

Niet bepaald helder. Dat komt dan wel, denkt de lezer. Maar wat komt, herhaalt nog eens de moderne kwalen, waarna de niet-uitgelegde redenering van Weil op dezelfde niet-uitgelegde wijze verdergaat. We lezen dat wie voorbij het vraatzuchtige ‘waarnemen’ toch aan ‘kijken’ toekomt, zich niettemin nog iets ter consumptie moet laten welgevallen, met name zichzelf. Een luttel aantal regels verder lezen we:

 

De vraatzuchtige waarneming heeft geen aandacht nodig. Ze verslindt alles wat haar wordt voorgezet. Alleen de ziel, die vast, kan kijken. Tijdens het vasten brengt ze een autofagie op gang, die haar lagere vraatzuchtige deel opeet. De autofagie van de ziel is het enige wat ons kan redden en naar God leidt: ‘Het eeuwig deel van de ziel voedt zich met honger. […] De honger van de ziel is moeilijk te verdragen, maar er is geen andere remedie voor onze ziekte. Bij levende lijve het vergankelijk deel van de ziel van honger laten sterven. Zo staat een vleselijk lichaam in dienst van God’. (Han cursiveert)

 

Zo gaat het het hele boek door. Citaat na citaat worden best pittige, taaie, aforistisch geformuleerde passages opgediend, maar een inzicht in wat die precies betekenen, wat hun plaats binnen Weils denkweg is, wat hun bredere religieuze en filosofische context zou kunnen zijn, daarover moet de lezer op zijn honger blijven. Of zoals hij inmiddels weet, zonder te zijn ingelicht over wat dat precies betekent: hij zal zich moeten voeden met zijn honger.

En dat lukt die lezer best aardig, zo mag alleen al uit het succes van het boek blijken. Wat hij leest, taxeert hij dan niet zozeer op de precisie waarmee de inhoud verhelderd wordt, maar op de sfeer waarin die inhoud baadt. Hij weet dat die refereert aan de spirituele, mystieke traditie, en dat is voldoende om over de moeilijke zinnen van Weil heen te stappen en te begrijpen dat de waarheid toch niet te begrijpen is, dat die buiten het rationele ligt, aan de vraatzucht van onze moderne ‘waarneming’ ontsnapt en dat we, zonder te begrijpen, alleen maar moeten ‘kijken’. Kijken naar wat zich aan de vraatzucht van de waarneming onttrekt. En terwijl de lezer zijn honger eet, weet hij zich in zijn ‘kijken’ binnen de kortste keren van alle honger bevrijd en zich voorgoed, want met de waarheid, gevoed.

Maar was daarvoor niet zoiets als ‘autofagie’ vereist? Diende hij, met zijn honger, niet ook de hongerlijder, zichzelf dus, op te eten? Ach, dit is een wat rare digestieve metafoor om te zeggen dat we niet zo vraatzuchtig mogen zijn, dat we dat dikke ik van ons wat op dieet moeten stellen en dat we dan echt ons ware zelf zullen kunnen zijn.

Niet dat het fout is Weil spiritueel te lezen. Haar oeuvre is zonder meer spiritueel, maar om dit ten volle ernstig te nemen is het even onvermijdelijk als noodzakelijk de filosofie waarin die baadt nooit uit het oog te verliezen. En dus, als je over Weil schrijft, haar daarin ernstig te nemen en te thematiseren.

Ik hou het in wat volgt bij de geciteerde passages uit de eerste pagina’s van het hoofdstuk ‘Aandacht’ uit Hans boek om dit filosofisch bad enigszins summier te concretiseren.

 

Aandacht

‘Aandacht’, in het Frans ‘attente’: een centraal concept en meteen ook de titel waaronder een postume bundel teksten van Weil is verschenen: Attente de Dieu. De Nederlandse vertaling had ‘Aandacht voor God’ kunnen heten, maar luidt Wachten op God (Bijleveld, 2014). Beide kunnen. Voor Weil is ‘aandacht’ ‘wachten’. Het voorwerp van die ‘aandacht’ of van dit ‘wachten’ is ‘God’. Dit klopt. En als Han de suggestie wekt dat aandacht ook algemener moet worden begrepen en men dus voor alles aandacht moet hebben, is dat simpelweg correct. Wil ik waarachtig leven en in alles de waarheid ontdekken, moet ik mij oefenen in ‘aandacht’. Door wat dan ook met volle ‘aandacht’ te bekijken, kom ik in contact met de waarheid. En die waarheid is God. De vraag waarom dat tegelijk ‘wachten’ impliceert, laten we nu nog rusten. Zoomen we in op de achtergrond van die relatie tussen aandacht, waarheid en God.

Die achtergrond is in elk geval platoons. Plato is zonder meer een van Weils basisreferenties. In haar ogen heeft diens ‘allegorie van de grot’ ook vandaag niets aan actualiteit verloren. Gevangen in onze dagdagelijkse wereld nemen we de werkelijkheid waar, maar een te snel begrip van wat we zien, houdt ons blind voor de waarheid waarnaar die verwijst. We hebben de neiging het waargenomene meteen voor waar te nemen, het ‘op te eten’, en dat moeten we nu juist niet doen. Ons waarnemen moet terugplooien op zichzelf, niet ‘eten’ maar verwijlen in het loutere kijken. Voor Plato is dat de voorwaarde om ons, geketend als we zijn in de grot, uit onze ketenen los te breken, ons om te keren (ons te ‘bekeren’) en op zoek te gaan naar de waarheid buiten de grot.

Maar die ‘aandacht’ zal ons niet buiten de grot brengen. Weil is hardcore platoons, maar wel in de grot. Niet dat de waarheid niet daarbuiten is. Maar daar moet de grotbewoner ze niet zoeken. Hij moet ze ‘zien’, ‘aanschouwen’ in de grot. En daarom moet hij ‘kijken’, kijken zonder wat hij ziet voor waar aan te nemen, te consumeren. Kijken en in dat kijken blijven verwijlen: dit is ‘aandacht’. Aldus ‘kijkend’ naar alle ‘schijn’ in de grot, ziet hij dan dat ook de grot als geheel schijn is: schijn verwijzend naar het zijn, naar de waarheid; schijn waardoorheen, mits men met ‘aandacht’ kijkt, men het zijn – de waarheid dus – ziet schijnen.

Ziehier, even hardcore, Weils stoïcisme. De grot is de wereld, het zijn, de kosmos in stoïsche zin: het ‘kosmetisch’, want ordelijk geheel waar alles zijn plaats heeft en waar alleen de mens, met zijn fout begrepen vrije wil, de pretentie heeft van plaats te kunnen veranderen en de dingen naar zijn hand te kunnen zetten. Als ik die wereld niet als volmaakte orde, als schoonheid ervaar, ligt dat aan mijzelf, aan mijn gebrek aan ‘aandacht’, aan de ‘vraatzucht’ van mijn ‘waarneming’.

Wat zie ik wanneer ik naar die volmaakte orde kijk? Ik kijk aan tegen een orde die op zichzelf functioneert, die oorzaak en gevolg kent, en dit feilloos, ‘volmaakt’. Ik kijk aan tegen een ‘kosmos’ als tegen een perfect geoliede machine waar alles ‘mooi’ in elkaar past, ook waar ik dat de facto als chaos en toeval ervaar. Overal dus. Mijn aandacht ontwaart met andere woorden een wereld waar zoiets als vrijheid simpelweg niet voorkomt.

Kom ik er dan niet in voor? Is er in die ‘kosmos’ geen plek waar ik mijn besef van vrijheid kan beleven? Jazeker, voor Weil is vrijheid een realiteit en een uitgangspunt van de eerste orde, maar die bestaat er juist in mij te oefenen in ‘aandacht’ om zo de wereld als een zaak van noodzaak te zien of, in haar termen, als ‘nécessité’ – de werkelijkheid als een newtoniaans, ‘mechanisch’ universum waartegenover ik mij als ziel verhoud, een ziel die vrij is, maar niet vrij in de zin dat zij kan sleutelen aan de principes van de ‘necessité’ die het universum draaiende houden.

Ziehier, in filosofische opzicht, de moderne Weil: Weil als cartesiaan die het onderscheid beaamt tussen ziel en lichaam, tussen de res cogitans en de res extensa. Als Han bij haar een kritisch weerwoord leest op alle mogelijke kwalen die onze laat-moderniteit teisteren, is het niet correct daaruit de conclusie te trekken dat Weils kritiek zich tegen de grondslagen van de moderniteit zou richten. Zij keert zich uitdrukkelijk niet tegen de ontzielde, ‘mechanische’ wereld waar onze wetenschappelijke benadering zich toe beperkt. Zij affirmeert die juist. Pas zo ontdekken we de waarheid van onze vrijheid. Die vrijheid maakt ons vrij van de onvrije, ontzielde wereld, maar slechts als we in die ontzielde wereld de vrije genade, de grâce van God erkennen. Zonder die instemmende erkenning is geen ware religie mogelijk – of, wat op hetzelfde neerkomt, geen ware verhouding tot de waarheid.

 

Schoonheid

Zonder die van zin verstoken wereld is geen ware religie mogelijk. Een verrassende, sterke stelling voor een spiritueel auteur. Maar het is haar menens. De waarheid is dat het universum waarin we leven haarfijn en geolied in oorzaak en gevolg is geprogrammeerd, en wel door de waarheid zelf. Door God dus. Denken dat God het alternatief biedt voor die orde van noodzakelijkheid (nécessité), miskent God want ontkent dat Hij daarvan de schepper is. Onze van God verstoken wereld is onverkort zijn schepping en het is zaak hem daarvoor dankbaar te zijn.

Het is in die dankbaarheid – en enkel daarin – dat ik ontsnap aan de nécessité. Dankbaarheid is ongeprogrammeerd, vrij. Het universum lijkt een en al onwrikbare nécessité; het is dat ook, maar juist in die hoedanigheid kan ik er vrij en dankbaar mee instemmen en het erkennen als een vrije schepping, als vrij Godsgeschenk. De waarheid van de nécessité is dat ze ‘grâce’, genade is. De zwarigheid die ons moderne, godverlaten universum kenmerkt is in wezen de gracieuze gift van gods genade. La pesanteur et la grâce, ‘Zwaartekracht en genade’, zo luidt de eerste, in 1947 verschenen bloemlezing uit haar Cahiers.

En waar zie ik die grâce? Is er nog iets anders dan mijn dankbaarheid ervoor dat ontsnapt aan de zwarigheid? Talrijk zijn de notities in haar Cahiers die, om dit te verwoorden, leunen op de metafoor van het licht. Al blijft licht uiteraard een ‘natuurlijk’, volledig in de logica van de nécessité badend fenomeen. Even vaak evoceert Weil hiervoor ook de schoonheid. De ervaring van het schone doet ons, in de chaos die we voor ons zien, een eenheid, een harmonie vermoeden. Gevoed door wat zij ‘aandacht’ noemt, krijgt men zo voeling met de harmonie, het ‘kosmetische’ van de ‘kosmos’, met andere woorden met de waarheid die aan de nécessité ten grondslag ligt: genade, God.

Ook de schoonheidservaring is dus een ontsnappingsroute weg uit de verstikkende logica van de nécessité. Die ervaring is het meest intens wanneer mij een vermoeden overvalt dat alles pas echt mooi en volmaakt zou zijn als ik er niet was, als die mooie wereld niet was bevuild door die vrijheidsdrang van mij die, onvermijdelijk, altijd ergens valse pretenties koestert. Zonder mij zou de wereld pas echt ongehinderd zichzelf kunnen aanschouwen als volmaakt, als een ‘kosmos’ waarin grâce en nécessité zich in elkaar kunnen spiegelen. Dan zou God in zijn schepping het transparante beeld van zijn volmaakte Zelf kunnen zien. De dankbare instemming met de zwarigheid van nécessité doet mij verlangen naar de ‘autofagie’ waarvan sprake was in het eerste citaat. In alle vrijheid stem ik er integraal mee in op te gaan in Gods waarheid. Althans, dit idee komt bij me op wanneer ik, met de volheid van wat Weil ‘aandacht’ noemt, een esthetische ervaring ernstig neem.

 

Lijden

Maar hoe vertaalt die ervaring zich existentieel? Niet in een euforisch huppelen door een als pure schoonheid ervaren wereld. Integendeel: die ervaring wordt pas existentieel waar we voelen hoe de nécessité op ons insnijdt, onze vrijheid geen plaats gunt en wij het leven ervaren als pijn, lijden, ellende. In het hoofdstuk getiteld ‘Pijn’, het kortere in de reeks, schrijft Han dat we ‘alleen via pijn toegang hebben tot de wereld, tot de schoonheid […], en citeert volgende passage uit Attente de Dieu:

 

Telkens wanneer we pijn lijden, kunnen we met recht zeggen dat het het universum, de wereldorde, de schoonheid van de wereld, de gehoorzaamheid van de schepping jegens God zijn die ons in de leden zijn gaan zitten. Hoe zouden we dan niet de liefde die ons deze gave zendt uit pure dankbaarheid zegenen?

 

Instemmen met een wereld door een genadeloze nécessité gestuurd en daarin tegelijk de genade (grâce) van de waarheid onderkennen: ziehier de harde, wrede kern van Weils spiritualiteit. We zijn ver verwijderd van de toonaarden waarin we een hedendaagse spiritualiteit gewend zijn te horen zingen. Hoop koesteren, naar verlossing hunkeren, troost zoeken: als we de waarheid waar de spiritualiteit voor staat ernstig willen nemen, is dat precies wat we niet moeten, want niet mogen doen. Aldus Weil.

Let wel: die spiritualiteit van Weil moet je grotendeels samensprokkelen uit het disparate labyrint van notities opgetekend in haar Cahiers. Ze staan verspreid tussen notities over wiskunde, algebra, fysica, meetkunde, wetenschapstheorie, geschiedenis, antiek Griekse en Sanskriet-citaten, commentaren bij de grote teksten uit westerse, maar ook oosterse literatuur, et cetera. De spirituele publicaties die onder Weils naam verschenen zijn – en het zijn vooral die waaruit Han in zijn boek put – zijn dan ook steevast bloemlezingen van spirituele passages uit die Cahiers. De facto is ook Hans boek zo’n bloemlezing. En het komt me voor dat het commentaar waarmee hij zijn selectie aaneen praat vooral dient om de steeds hardere lijn die in Weils notities te ontwaren is, te verzachten, te milderen of er ronduit de angel uit te halen.

Want inderdaad, al kunnen we Weil niet in het hoofd kijken terwijl ze in de vroege jaren veertig cahier na cahier volschrijft, het valt moeilijk te ontkennen dat ze in die aforistische schetsen steeds op zoek is om telkens nog genadelozer de paradox van haar waarheidsdenken scherp te stellen. Instemmen met de afwezigheid van God in de wereld als de enig ware manier om God en zijn genade te onderkennen of, wat op hetzelfde neerkomt, zich waarachtig tot de Waarheid te verhouden.

Wie met Weils denken de dialoog aangaat, wie met haar ‘over God wil spreken’, moet het over die paradox hebben. Hij moet, in woord en tegenwoord, in vraag en tegenvraag, haar onverbiddelijke opgang naar die explosieve paradox stap voor stap volgen. Wie haar echt au sérieux neemt, laat geen moment de vrees toe dat die paradox inderdaad kan exploderen. Dan zal blijken dat Weils weerbarstige oeuvre, in weerwil van het radicale spirituele karakter ervan, behoorlijk haaks staat op de verzuchtingen van de spiritualiteitsconsumenten die haar vandaag de dag zo gretig lusten.

Een echte ‘dialoog met Simone Weil’ is Byung-Chul Hans Spreken over God niet. Een platoonse dialoog met deze platoniste is het al helemaal niet.

De Nieuwe Wereld / Ten Have, Utrecht, 2026
Vertaald door: Mark Wildschut
ISBN 987 90 259 1420 2
127p.

Geplaatst op 15/09/2026

Tags: Byung-Chul Han, Simone Weil, Spreken over God

Categorie: Filosofie, Recensies

Naar boven

Reacties

  1. Rudi Holzhauer

    Een mooie beschouwing. Ik ben tot nu toe onvoldoende vertrouwd met het werk en het gedachtengoed van Weil. Je verwijst ook naar Oosterse bronnen. Dat loop je al snel weg bij de westerse religies. Met het Midden Oosten ertussen.

    Ik lees over spiritualiteit. God als Waarheid. Er zijn een aantal woorden om dat aan te duiden. God als Natuur (Spinoza). God als dat Ene (Ibn Rushd). En … blijft het bij spiritualiteit of komt ook de mystiek in beeld?

    Voor mij (weer) een uitdaging om (ook) dit gedachtengoed een plaats te geven in een (nog?) breder gedachtengoed. Eenheid naast Waarheid.

    Beantwoorden

  2. Philippe Grisar

    Dankjewel, Marc, voor deze verhelderende analyse.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.